Betekenis van:
kraak

kraak (de ~ | meervoud kraken)
Zelfstandig naamwoord
  • ongeoorloofd een pand betreden; inbraak; onbebouwd
"daar zit kraak noch smaak aan!"
"een kraak zetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kraak (de ~ | meervoud kraken)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaalde inktvis

Hyperoniemen

kraak (de ~ | meervoud kraken)
Zelfstandig naamwoord
  • ouderwets schip

Hyperoniemen

kraak
Zelfstandig naamwoord
  • galerij in een kerk

Hyperoniemen

Hyponiemen

kraak
Zelfstandig naamwoord
  • een zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis, dat ondanks herhaalde waarnemingen door zeelui, door wetenschap en gemeenschap als mythisch werd afgedaan
kraak
Zelfstandig naamwoord
  • ''Octopus vulgaris'', een inktvis zonder inwendig skelet
kraak
Zelfstandig naamwoord
  • zich onbevoegd toegang verschaffen tot iets
kraak
Zelfstandig naamwoord
  • historisch, zeegaand zeilschip, ontwikkeld in de tweede helft van de 15e eeuw, dat veel gemeen heeft met de karveel waaruit hij is ontwikkeld
kraak
Zelfstandig naamwoord
  • historisch, houten zeilschip uit de 15e-16e eeuw van de binnenwateren
kraak
Zelfstandig naamwoord
  • historisch, ijzeren schip uit de 19e eeuw van de binnenwateren
kraak
Zelfstandig naamwoord
  • ruisend geluid

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord