Betekenis van:
schat

schat (de ~ | meervoud schatten)
Zelfstandig naamwoord
  • iets dat erg waardevol is voor iemand
"gezondheid is je grootste schat"

Hyperoniemen

schat
Zelfstandig naamwoord
  • verzamelde rijkdom
"De zeerovers hadden hun schat op een eiland begraven."
schat
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt
"Ach, wat een schatje!"
schat (de ~ | meervoud schatten)
Zelfstandig naamwoord
  • geliefd persoon; geliefde; geliefde; geliefde; geliefde; koosnaampje; koosnaampje; geliefde
"een lieve schat"
"een schat van [een kind]"

Synoniemen

Hyperoniemen

schat (de ~ | meervoud schatten)
Zelfstandig naamwoord
  • zeer grote hoeveelheid
"een schat aan [informatie/gegevens/materiaal]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord