Betekenis van:
schorten
schorten
Werkwoord
- ''~ aan'': tekortkomen, ontbreken
"Er heeft van alles aan geschort."
schort (de/het ~ | meervoud schorten)
Zelfstandig naamwoord
- kledingstuk ter bescherming; deel v.e. kledingstuk rond het middel
"een schort voordoen"
"een schort dragen"
Synoniemen
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- De lidstaten schorten de invoer op van:
- schorten, stofjassen en andere werk- en bedrijfskleding
- De lidstaten schorten de invoer op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit China op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Thailand op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Maleisië op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Kroatië op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Israël op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Zuid-Afrika op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Zuid-Afrika op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Turkije op van:
- De lidstaten schorten de invoer uit Oekraïne op van onbewerkte veren en delen van veren.
- vaartuigen met grondeffect (volledig met schorten (‹fully skirted variety›)) met alle volgende kenmerken:
- UNSCR 1737 (2006) gelast Iran alle met zwaarwater verband houdende werkzaamheden op te schorten.
- De lidstaten schorten de invoer uit het grondgebied van Israël op van: