Betekenis van:
slecht
slecht
Bijvoeglijk naamwoord
- niet goed
slecht
Bijwoord
- niet goed
"Deze groep is wel het slechtst behandeld."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ze was slecht gehumeurd.
- Het gaat mij slecht.
- Mijn vrouw kan slecht autorijden.
- Ik vind mijn Japans erg slecht.
- Denkt ge dat TV-kijken slecht is voor kinderen?
- Ik weet niet waarom ik zo slecht gehumeurd ben deze morgen.
- Maakt u zich geen zorgen, meneer de president: met zulk slecht tandvlees betwijfel ik of ze überhaupt tanden HEEFT.
- „slecht”;
- Zeer slecht
- Slecht oplosbaar in ethylacetaat
- Toestand is slecht.
- Toestand is slecht.
- Slecht oplosbaar in water.
- De regelklep werkt slecht
- slecht weer— n