Betekenis van:
strijken

strijken
Werkwoord
  • rakelings langs, over een oppervlak gaan
"langs de daken strijken"
"over het water strijken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

strijken
Werkwoord
  • met de hand, een voorwerp langs of over een oppervlak gaan
"over/langs [de snaren van een viool] strijken"
"iemand over zijn bol strijken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

strijken
Werkwoord
  • masten/zeilen neerhalen
"een zeil strijken"
"de mast strijken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

strijken
Werkwoord
  • (textiel, kleren) met een strijkijzer gladmaken
"een broek strijken"
"vanavond nog moeten strijken"

Hyperoniemen

strijken
Werkwoord
  • over een oppervlak laten glijden
"Hij streek zijn huilende zoontje over zijn bolletje."
strijken
Werkwoord
  • wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer
"Ik heb dat overhemd nog niet gestreken."
strijken
Werkwoord
  • iets laten zakken
"De zeilen strijken."
strijken
Werkwoord
  • bespelen

Hyperoniemen

strijken
Werkwoord
  • de voegen tussen stenen opvullen, volzetten met specie

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord