Betekenis van:
voor mij

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij vertolkte voor mij.
  2. Wil je voor mij bellen?
  3. Mijn moeder kookt voor mij.
  4. Ze is onvervangbaar voor mij.
  5. Ge zijt te vriendelijk voor mij.
  6. Ze bakte een cake voor mij.
  7. Ze gaven een groot feest voor mij.
  8. Engels spreken is moeilijk voor mij.
  9. Kun je dat misschien vertalen voor mij?
  10. Is er een kamer voor mij?
  11. Japans spreken is makkelijk voor mij.
  12. Engels is niet makkelijk voor mij.
  13. Hij riep een taxi voor mij.
  14. Laat mij voor het eten betalen.
  15. Dit huiswerk is moeilijk voor mij.