Betekenis van:
voor mij
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Hij vertolkte voor mij.
- Wil je voor mij bellen?
- Mijn moeder kookt voor mij.
- Ze is onvervangbaar voor mij.
- Ge zijt te vriendelijk voor mij.
- Ze bakte een cake voor mij.
- Ze gaven een groot feest voor mij.
- Engels spreken is moeilijk voor mij.
- Kun je dat misschien vertalen voor mij?
- Is er een kamer voor mij?
- Japans spreken is makkelijk voor mij.
- Engels is niet makkelijk voor mij.
- Hij riep een taxi voor mij.
- Laat mij voor het eten betalen.
- Dit huiswerk is moeilijk voor mij.