Betekenis van:
vork
vork
Zelfstandig naamwoord
- voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
"Hij at zijn frietjes met een vork."
vork (de ~ | meervoud vorken)
Zelfstandig naamwoord
- eetgerei v.e. steel met vier punten
"hoe zit de vork in de steel?"
"met mes en vork eten"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
vork
Zelfstandig naamwoord
- aftakking van een boomtak of van een weg
vork
Zelfstandig naamwoord
- bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
vork
Zelfstandig naamwoord
- fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: ''telescopische vork'', ''voorvork en achtervork''
vork
Zelfstandig naamwoord
- situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
vork (de ~ | meervoud vorken)
Zelfstandig naamwoord
- splitsing v.d. weg; tweesprong; soort weg- of spoorsplitsing
Synoniemen
Hyperoniemen
Voorbeeldzinnen
- Wij gebruiken stokjes in plaats van vork en mes.
- De juiste plaatswijze van een bestek is de vork aan de linkerzijde van het bord en het mes aan de rechterzijde alsook de lepel.
- Mensen die met een vork eten, wonen voornamelijk in Europa, Noord-Amerika en Latijns Amerika; mensen die met stokjes eten, wonen in Oost-Azië, en mensen die met hun vingers eten wonen in Afrika, het Nabije Oosten, Indonesië en India.
- vork- en andere heftrucks voor alle terreinen
- De Commissie kon echter noch wat betreft het gewicht, noch wat betreft de breedte van de vork belangrijke verschillen vaststellen tussen de Canadese en de Chinese producten.
- Er zijn verschillende soorten handpallettrucks en hun essentiële onderdelen, die kunnen worden ingedeeld afhankelijk van hun hefvermogen, de lengte van de vork, het soort staal dat is gebruikt voor het chassis, het soort van hydraulische onderdelen, het soort van wielen en de aanwezigheid van een rem.