Betekenis van:
wateren

wateren
Werkwoord
  • waterachtig vocht afscheiden
"Zijn ogen waterden van de kou."
wateren
Werkwoord
  • plassen; plassen; wateren; plassen; wateren; plassen
"verboden tegen de muur te wateren"

Synoniemen

Hyperoniemen

wateren
Werkwoord
  • urine uitscheiden
wateren
Werkwoord
  • vers hout enige tijd in water leggen om er ongewenste stoffen uit te laten trekken
water (het ~ | meervoud waters, wateren)
Zelfstandig naamwoord
  • rivier, sloot, kanaal enz.
"het water treedt buiten zijn oevers"
"vele watertjes doorzwommen hebben"

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Stilstaande wateren
  2. Zuidwestelijke wateren
  3. Zuidwestelijke wateren
  4. Noordwestelijke wateren
  5. „Mariene wateren”:
  6. WESTELIJKE WATEREN
  7. IIa (EG-wateren), IV, VI (EG-wateren en internationale wateren)
  8. VIII, IX (EG-wateren en internationale wateren)
  9. II a (EG-wateren), IV (EG-wateren)
  10. VIII, IX (Communautaire wateren en internationale wateren)
  11. IIa (EG-wateren), IV (EG-wateren)
  12. VIII, IX (EG-wateren en internationale wateren)
  13. EG-wateren en internationale wateren van V
  14. IV (EG-wateren en internationale wateren)
  15. (wateren van de Gemeenschap en internationale wateren)