Betekenis van:
zetel

zetel (de ~ | meervoud zetels)
Zelfstandig naamwoord
  • plaats om te zitten
"zich uit zijn zetel verheffen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zetel (de ~ | meervoud zetels)
Zelfstandig naamwoord
  • vestigingsplaats v.e. bedrijf
"een firma met zetel in Hamburg"
"de statutaire zetel"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zetel
Zelfstandig naamwoord
  • zitplaats, meestal in een verheven zin van dat woord
"De koning verhief zich van zijn zetel en sprak het gezelschap toe."
zetel
Zelfstandig naamwoord
  • lidmaatschap van een raad of vergadering, meestal met een beperkt aantal leden
"Deze partij zal wel een paar zeteltjes in moeten leveren bij de verkiezingen."
zetel
Zelfstandig naamwoord
  • plaats waar een organisatie gevestigd is
"De zetel van het Europese Hof is in Luxemburg."
zetel (de ~ | meervoud zetels)
Zelfstandig naamwoord
  • ruime, makkelijke stoel; makkelijke leunstoel; gemakkelijke stoel
"een zetel met hoofdsteun"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord