Vertaling van tun

Inhoud:

Duits
Nederlands
machen, tun, stellen, bereiten, ausführen, verrichten, erledigen, abstatten, begehen, schließen, anfertigen, herstellen, erzeugen, hervorbringen, erschaffen, unterbreiten, halten, geben, schneiden, brauen, zurechtmachen, ordnen, zubereiten, bewirken, verursachen, hervorrufen, veranlassen, erregen, anrichten, ernennen, abhalten {ww.}
doen 
maken 
uitvoeren 
uitrichten
uitbrengen
bedrijven 
aanmaken 

wir tun
sie tun

wij doen
zij doen
» meer vervoegingen van doen

Was muss ich tun?
Wat moet ik doen?
Was willst du tun?
Wat wil je doen?
Aktion [v] (die ~), Handeln, Tun, Wirken, Vorgehen [o] (das ~), Handlung [v] (die ~) {zn.}
toedoen
optreden 
werking  [v]
handeling [v]
gedoe [o]
actie  [v]
Herstellung [v] (die ~), Tun, Treiben [o] (das ~), Tätigkeit [v] (die ~), Ausführung [v] (die ~) {zn.}
gedoe
vervaardiging
aanmaak

Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Haben Sie zu tun?

Ben je bezig?

Was muss ich tun?

Wat moet ik doen?

Was willst du tun?

Wat wil je doen?

Meine Füße tun weh.

Mijn voeten doen pijn.

Ich habe viel zu tun.

Ik heb veel dingen te doen.

Tu, was du tun musst!

Doe wat ge moet doen.

Wir müssen etwas tun, Tom.

We moeten iets doen, Tom.

Soll er es allein tun!

Laat hem het alleen doen.

Ich habe viel zu tun.

Ik heb veel dingen te doen.

Mir tun die Augen weh.

Ik heb pijn aan mijn ogen.

Wissen und Tun sind zweierlei.

Weten is één ding, het ook doen is heel wat anders.

Warum muss ich das tun?

Waarom moet ik dit doen?

Hast du morgen Nachmittag zu tun?

Zijt ge bezet morgennamiddag?

Ich dachte, ich muss es tun.

Ik vond dat ik dat moest doen.

Ich habe morgen viel zu tun.

Ik moet morgen een hoop werk doen.