Vertaling van zur Last legen

Inhoud:

Duits
Nederlands
imputieren, zur Last legen, zuschreiben {ww.}
wijten
toerekenen
toedichten
toeschrijven 
aanrekenen
stranden, ans Ufer kommen, das Ufer erreichen, das Ufer betreten, anlegen, landen {ww.}
aan wal komen
landen
aan land gaan

wir legen an
sie legen an

wij landen
zij landen
» meer vervoegingen van landen

anlegen, beifügen {ww.}
voordoen
aanzetten

wir legen an
sie legen an

wij doen voor
zij doen voor
» meer vervoegingen van voordoen

anlegen, lehnen, anlehnen, stemmen, stützen, unterstützen, aufstützen {ww.}
ondersteunen
steunen
stutten
schragen

wir legen an
sie legen an

wij ondersteunen
zij ondersteunen
» meer vervoegingen van ondersteunen

auslegen, aussetzen, ausstellen {ww.}
uitstallen
etaleren
uitbrengen
blootstellen 

wir legen aus
sie legen aus

wij stallen uit
zij stallen uit
» meer vervoegingen van uitstallen

ausbreiten, ausrecken, strecken, ausstrecken, erstrecken, aufspannen, ausspannen, auslegen, auswerfen, aufhängen, recken, ausdehnen, dehnen, erweitern {ww.}
uitstrekken
uitsteken
uitbreiden 
strekken
rekken
ophouden

wir legen aus
sie legen aus

wij strekken uit
zij strekken uit
» meer vervoegingen van uitstrekken

auslegen, deuten, dolmetschen, interpretieren, verdolmetschen {ww.}
vertolken 
verklaren 
interpreteren 
uitleggen 
duiden

wir legen aus
sie legen aus

wij vertolken
zij vertolken
» meer vervoegingen van vertolken

zurücklegen, ablegen {ww.}
doormaken
doortrekken
doorkomen

wir legen ab
sie legen ab

wij maken door
zij maken door
» meer vervoegingen van doormaken

anwenden, verwenden, applizieren, verabreichen, auftragen, anbringen, auflegen {ww.}
aanwenden 
doorvoeren
in toepassing brengen
toepassen

wir legen auf
sie legen auf

wij wenden aan
zij wenden aan
» meer vervoegingen van aanwenden

ausstellen, auslegen, aussetzen, belichten, exponieren {ww.}
belichten 
tentoonstellen
uiteenzetten 
uitstallen

wir legen aus
sie legen aus

wij belichten
zij belichten
» meer vervoegingen van belichten

auslegen, verausgaben {ww.}
besteden
spanderen
spenderen
uitgeven 
verteren

wir legen aus
sie legen aus

wij besteden
zij besteden
» meer vervoegingen van besteden

deponieren, hinterlegen, verwahren, in Verwahrung geben, zur Aufbewahrung geben, anlegen, ablagern, absetzen, abscheiden {ww.}
afgeven 
deponeren
in bewaring geven
inleggen

wir legen an
sie legen an

wij geven af
zij geven af
» meer vervoegingen van afgeven

gründen, etablieren, begründen, einrichten, eröffnen, anlegen, aufstellen {ww.}
inrichten
oprichten
stichten 
vestigen 

wir legen an
sie legen an

wij richten in
zij richten in
» meer vervoegingen van inrichten

antun, anziehen, auflegen, anlegen {ww.}
aandoen
aantrekken 
opleggen
opbrengen
aanbrengen 

wir legen auf
sie legen auf

wij doen aan
zij doen aan
» meer vervoegingen van aandoen