Vertaling van habit

Inhoud:

Engels
Nederlands
habit, trick {zn.}
hebbelijkheid [v]
aanwensel  [o]
habit, riding habit {zn.}
rijkostuum
custom, habit, way, fashion, practice, wont {zn.}
gewoonte 
gebruik [o]
usance
You ought to get into the habit of brushing your teeth after every meal.
Je zou er een gewoonte van moeten maken je tanden te poetsen na elke maaltijd.
In the Netherlands, it is the custom that, when during the construction of a house the highest point has been reached and the roof is ready for tiling, the client treats…
In Nederland is het de gewoonte dat, wanneer bij de bouw van een huis het hoogste punt bereikt is en de dakpannen gelegd kunnen worden, de opdrachtgever de bouwvakkers…
habit {zn.}
ordekleed
monnikspij
monnikengewaad
kap
habijt [o] (het ~)
pij [m] (de ~)
habit, use {zn.}
gewoonte [v] (de ~)
ritueel [o] (het ~)

Gerelateerd aan habit

trick - riding habit - custom - way - fashion - practice - wont - usesuit - cloak - act