Vertaling van practice

Inhoud:

Engels
Nederlands
practice {zn.}
praktijk 
The European Union has 23 official languages, theoretically with the same rights, but in practice only 3 working languages: English, French and German.
De Europese Unie heeft 23 officiële talen met theoretisch gelijke rechten, maar in de praktijk slechts 3 werktalen: Engels, Frans en Duits.
practice {zn.}
uitoefening [v]
beoefening [v]
to apply, to practice, to administer {ww.}
toepassen
doorvoeren
in toepassing brengen
aanwenden 

I practice
you practice
we practice

ik pas toe
jij past toe
wij passen toe
» meer vervoegingen van toepassen

to practice, to practise, to rehearse {ww.}
zwemslag

I practice

to practice, to practise, to rehearse {ww.}
droogzwemmen

I practice
you practice
we practice

ik zwem droog
jij zwemt droog
wij zwemmen droog
» meer vervoegingen van droogzwemmen

to practice, to practise, to rehearse {ww.}
repeteren

I practice
you practice
we practice

ik repeteer
jij repeteert
wij repeteren
» meer vervoegingen van repeteren

action, activity, practice {zn.}
actie  [v]
toedoen
optreden 
werking  [v]
handeling [v]
gedoe [o]
I'm always bored with films that have little action.
Ik vind films met weinig actie saai.
exercise, practice {zn.}
oefening  [v]
Practice makes perfect.
Oefening baart kunst.
custom, habit, way, fashion, practice, wont {zn.}
gewoonte 
gebruik [o]
usance
You ought to get into the habit of brushing your teeth after every meal.
Je zou er een gewoonte van moeten maken je tanden te poetsen na elke maaltijd.
In the Netherlands, it is the custom that, when during the construction of a house the highest point has been reached and the roof is ready for tiling, the client treats…
In Nederland is het de gewoonte dat, wanneer bij de bouw van een huis het hoogste punt bereikt is en de dakpannen gelegd kunnen worden, de opdrachtgever de bouwvakkers…
to apply, to practice, to use {ww.}
toegepast
toepassen

I practice
you practice
we practice

ik pas toe
jij past toe
wij passen toe
» meer vervoegingen van toepassen

to do, to exercise, to practice, to practise {ww.}
praktizeren
drijven
uitoefenen

I practice
you practice
we practice

ik praktizeer
jij praktizeert
wij praktizeren
» meer vervoegingen van praktizeren

to drill, to exercise, to practice, to practise {ww.}
instuderen

I practice
you practice
we practice

ik studeer in
jij studeert in
wij studeren in
» meer vervoegingen van instuderen

to do, to exercise, to practice, to practise {ww.}
beoefenen

I practice
you practice
we practice

ik beoefen
jij beoefent
wij beoefenen
» meer vervoegingen van beoefenen

to drill, to exercise, to practice, to practise {ww.}
praktizeren

I practice
you practice
we practice

ik praktizeer
jij praktizeert
wij praktizeren
» meer vervoegingen van praktizeren


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Practice makes perfect.

Oefening baart kunst.

I just need to practice

Ik moet gewoon oefenen

Can I practice with you?

Kan ik met je oefenen?

The European Union has 23 official languages, theoretically with the same rights, but in practice only 3 working languages: English, French and German.

De Europese Unie heeft 23 officiële talen met theoretisch gelijke rechten, maar in de praktijk slechts 3 werktalen: Engels, Frans en Duits.


Gerelateerd aan practice

apply - administer - practise - rehearse - action - activity - exercise - custom - habit - way - fashion - wont - use - do - drillstroke - work - drill - apply - do - acquire - fulfil