Vertaling van nurse

Inhoud:

Engels
Nederlands
nurse, nanny {zn.}
kindermeisje  [o]
verzorgster [v]
kinderjuffrouw
nurse {zn.}
verpleger
broeder [m]
verpleegkundige
ziekenverpleger
He's not a doctor, but a nurse.
Hij is geen dokter, maar een verpleger.
I want to be a doctor or a nurse or a teacher.
Ik wil dokter worden, of verpleger, of leraar.
nurse {zn.}
verpleegster [v]
ziekenzuster [v]
ziekenverpleegster [v]
zuster  [v]
She is a nurse.
Ze is verpleegster.
She became a nurse.
Ze werd verpleegster.
to nurse {ww.}
verplegen

I nurse
you nurse
we nurse

ik verpleeg
jij verpleegt
wij verplegen
» meer vervoegingen van verplegen

to look after, to nurse, to babysit {ww.}
oppassen
verzorgen

I nurse
you nurse
we nurse

ik pas op
jij past op
wij passen op
» meer vervoegingen van oppassen

to attend, to nurse, to tend to, to care {ww.}
verzorgen
verplegen
zorgen voor

I nurse
you nurse
we nurse

ik verzorg
jij verzorgt
wij verzorgen
» meer vervoegingen van verzorgen

Nurses attend sick people.
Verplegers verzorgen zieken.
She had to take care of her sister.
Ze moest haar zus verzorgen.
dry-nurse, monthly nurse, nurse {zn.}
baker [v]
to breastfeed, to give suck, to lactate, to nurse, to suck, to suckle, to wet-nurse {ww.}
sabbelen
zabbelen

I nurse
you nurse
we nurse

ik sabbel
jij sabbelt
wij sabbelen
» meer vervoegingen van sabbelen

to breastfeed, to give suck, to lactate, to nurse, to suck, to suckle, to wet-nurse {ww.}
zogen
voeden

I nurse
you nurse
we nurse

ik zoog
jij zoogt
wij zogen
» meer vervoegingen van zogen

to entertain, to harbor, to harbour, to hold, to nurse {ww.}
koesteren

I nurse
you nurse
we nurse

ik koester
jij koestert
wij koesteren
» meer vervoegingen van koesteren


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

She is a nurse.

Ze is verpleegster.

A nurse wears white.

Een verpleegster kleedt zich in het wit.

She became a nurse.

Ze werd verpleegster.

The nurse is dressed in white.

De verpleegster is in het wit gekleed.

Her dream is to become a nurse.

Het is haar droom verpleegster te worden.

He's not a doctor, but a nurse.

Hij is geen dokter, maar een verpleger.

The nurse will tell you how to do it.

De verpleegster zal je uitleggen hoe dat moet.

I don't want to be a nurse any more.

Ik wil geen verpleegster meer zijn.

I want to be a doctor or a nurse or a teacher.

Ik wil dokter worden, of verpleger, of leraar.


Gerelateerd aan nurse

nanny - look after - babysit - attend - tend to - care - dry-nurse - monthly nurse - breastfeed - give suck - lactate - suck - suckle - wet-nurse - entertaincare - suck - feed - experience