Vertaling van path


path, road, way {zn.}
baan  [v]
There is frost on the road.
Er is ijzel op de baan.
path, pathway, track, trail {zn.}
pad [o]
At the end of the path there was a mailbox. One day, there was an exciting letter in it, and it was for me.
Aan het eind van het pad stond een brievenbus. Op een dag lag er een spannende brief in en die was voor mij.
road, route, way, course, passage, path, pathway {zn.}
weg  [m]
baan  [v]
route [v]
The road is long.
De weg is lang.
The way is long.
De weg is lang.
path, way, way of life {zn.}
leefpatroon [o] (het ~)
path {zn.}
fietspad [o] (het ~)
path {zn.}
kanaal [o] (het ~)
weg [m] (de ~)
path, way, way of life {zn.}
itinerary, path, route {zn.}
itinerary, path, route {zn.}
weg [m] (de ~)
koets [m] (de ~)
route [m] (de ~)
course, path, track {zn.}
baan [m] (de ~)
loop [m] (de ~)

Gerelateerd aan path

road - way - pathway - track - trail - route - course - passage - way of life - itinerarydivision - trail - agency - habit - course - path - elbow room - itinerary