Vertaling van root

Inhoud:

Engels
Nederlands
to root, to ingrain {ww.}
wortel schieten
aanslaan 

I root
you root
we root

ik sla aan
jij slaat aan
wij slaan aan
» meer vervoegingen van aanslaan

root, stem, radix {zn.}
stam [m]
wortel  [m]
radix
to root, to rootle, to rout {ww.}
wroeten

I root
you root
we root

ik wroet
jij wroet
wij wroeten
» meer vervoegingen van wroeten

to root, to settle, to settle down, to steady down, to take root {ww.}
beklijven

they root

zij beklijven
» meer vervoegingen van beklijven

to root, to settle, to settle down, to steady down, to take root {ww.}
aarden

I root
you root
we root

ik aard
jij aardt
wij aarden
» meer vervoegingen van aarden

to root {ww.}
aangaan
wortelen
aanslaan

I root
you root
we root

ik ga aan
jij gaat aan
wij gaan aan
» meer vervoegingen van aangaan

to root, to rootle, to rout {ww.}
wroeten
woelen

I root
you root
we root

ik wroet
jij wroet
wij wroeten
» meer vervoegingen van wroeten

root, tooth root {zn.}
klimwortel
hechtwortel
root {zn.}
radix
wortelgetal
wortel [m] (de ~)
root {zn.}
worteltje
wortel [m] (de ~)
root, tooth root {zn.}
tandwortel
root, tooth root {zn.}
staartwortel
root, tooth root {zn.}
grondwoord [o] (het ~)
ancestor, antecedent, ascendant, ascendent, root {zn.}
ascendant [m] (de ~)
etymon, root {zn.}
grondbetekenis
beginning, origin, root, rootage, source {zn.}
oorsprong [m] (de ~)
oerbron
origine [v] (de ~)
wortel [m] (de ~)
begin [o] (het ~)
kiem [m] (de ~)
base, radical, root, root word, stem, theme {zn.}
stam [m] (de ~)
ancestor, antecedent, ascendant, ascendent, root {zn.}
stamvader [m] (de ~)
voorvader [m] (de ~)
voorvaderen
voorzaat
ancestor, antecedent, ascendant, ascendent, root {zn.}
ascendenten
ascendent
etymon, root {zn.}
grondwoord [o] (het ~)
basiswoord [o] (het ~)
etymon
stamwoord
wortelwoord

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Money is the root of all evil.

Geld is de wortel van alle kwaad.

What's the square root of 100?

Wat is de wortel van 100?