Vertaling van stay

Inhoud:

Engels
Nederlands
stay {zn.}
verblijf
oponthoud [o]
I met her during my stay in Mexico.
Ik heb haar ontmoet tijdens mijn verblijf in Mexico.
to dwell, to live, to reside, to stay {ww.}
wonen 
huizen
resideren
gevestigd zijn

I stay
you stay
we stay

ik woon
jij woont
wij wonen
» meer vervoegingen van wonen

Where do you all live?
Waar wonen jullie allemaal?
They live nearby.
Ze wonen in de buurt.
to abide, to linger, to remain, to stay {ww.}
verwijlen
wijlen
vertoeven
verblijf houden
resideren
plakken 

I stay
you stay
we stay

ik verwijl
jij verwijlt
wij verwijlen
» meer vervoegingen van verwijlen

to be a guest, to stay {ww.}
logeren 
te gast zijn

I stay
you stay
we stay

ik logeer
jij logeert
wij logeren
» meer vervoegingen van logeren

I am going to stay with my aunt in Hawaii.
Ik ga bij mijn tante op Hawaï logeren.
to be on a visit, to stay, to stop {ww.}
logeren 

I stay
you stay
we stay

ik logeer
jij logeert
wij logeren
» meer vervoegingen van logeren

to halt, to stop, to end, to hold, to obstruct, to stem, to stay, to stall, to arrest {ww.}
stoppen 
aanhouden 
stuiten
stilzetten
stilleggen
keren

I stay
you stay
we stay

ik stop
jij stopt
wij stoppen
» meer vervoegingen van stoppen

You should stop drinking.
Je moet stoppen met drinken.
I couldn't stop Tom.
Ik kon Tom niet stoppen.
to remain, to stay, to stay over, to abide, to keep, to rest, to stop {ww.}
blijven 
verblijven
toeven
resteren
resten
overblijven 

I stay
you stay
we stay

ik blijf
jij blijft
wij blijven
» meer vervoegingen van blijven

I will stay there.
Ik zal daar blijven.
He can't stay long.
Hij kan niet lang blijven.
brace, cramp-iron, stay {zn.}
tui
steundraad
scheerlijn
stag
muuranker
pillar, support, stay {zn.}
steun
stut

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Stay here!

Blijf hier!

Stay off the grass.

Loop niet op het gras.

Why did you stay?

Waarom ben je gebleven?

I will stay there.

Ik zal daar blijven.

Stay here with us.

Blijf hier bij ons.

He can't stay long.

Hij kan niet lang blijven.

Stay with us.

Blijf bij ons.

Stay out of the rain.

Blijf uit de regen.

How long did you stay?

Hoelang ben je gebleven?

I'll stay if it rains.

Als het regent, blijf ik.

Will you stay at home?

Zult ge thuis blijven?

Did he stay very long?

Is hij heel lang gebleven?

I'd rather stay at home.

Ik zou liever thuis blijven.

I'll stay here until ten.

Ik blijf hier tot tien uur.

I give you permission to stay.

Ik geef je toestemming om te blijven.


Gerelateerd aan stay

dwell - live - reside - abide - linger - remain - be a guest - be on a visit - stop - halt - end - hold - obstruct - stem - stall