Vertaling van trip

Inhoud:

Engels
Nederlands
trip {zn.}
dagreis [v]
to trip, to trip up {ww.}
neerhalen
onderuithalen

I trip
you trip
we trip

ik haal neer
jij haalt neer
wij halen neer
» meer vervoegingen van neerhalen

trip {zn.}
trip [m] (de ~)
Their trip has been cancelled due to rain.
Ze hebben hun trip vanwege Regen afgebroken.
We are planning a trip to New York.
We plannen een trip naar New York.
journey, trip, voyage {zn.}
reis 
trip
toer
tocht
Safe journey.
Goede reis!
He went on a voyage to America.
Hij ging op reis naar Amerika.
to get off, to trip, to trip out, to turn on {ww.}
trippen

I trip
you trip
we trip

ik trip
jij tript
wij trippen
» meer vervoegingen van trippen

to jaunt, to travel, to trip {ww.}
reizen
reizend

I trip
you trip
we trip

ik reis
jij reist
wij reizen
» meer vervoegingen van reizen

I want to travel with you.
Ik wil met je reizen.
I want to travel around the world.
Ik wil rond de wereld reizen.
to stumble, to trip {ww.}
stommelen

I trip
you trip
we trip

ik stommel
jij stommelt
wij stommelen
» meer vervoegingen van stommelen

misstep, stumble, trip, trip-up {zn.}
misstap [m] (de ~)
misstep, stumble, trip, trip-up {zn.}
struikeling

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Is this your first trip abroad?

Is dit je eerste reis in het buitenland?

She postponed her trip to Mexico.

Ze heeft haar reis naar Mexico uitgesteld.

Illness frustrated his plans for the trip.

Een ziekte dwarsboomde zijn reisplannen.

I'll postpone my trip to Scotland until it's warmer.

Ik stel mijn reis naar Schotland uit tot het warmer is.

By the end of the trip we were very thirsty.

Tegen het einde van de excursie hadden we al erg veel dorst.

Their trip has been cancelled due to rain.

Ze hebben hun trip vanwege Regen afgebroken.

She went on a trip for a few days.

Voor enkele dagen is ze op reis vertrokken.

How are you? Did you have a good trip?

Hoe gaat het met u? Hebt u een goede reis gehad?

I never went to Hiroshima on my trip.

Tijdens mijn reis ben ik nooit naar Hiroshima gegaan.

She doesn't always take a trip to France in summer.

In de zomer reist ze niet altijd naar Frankrijk.

We are planning a trip to New York.

We plannen een trip naar New York.

Buy our newspaper and win a trip to Khmelnytsky!

Koop onze krant en win een reis naar Chmelnytsky!

They are rich Englishwomen on a trip to Italy.

Ze zijn rijke Engelse dames op reis naar Italië.

My trip was very nice

Mijn reis was erg leuk

Midway through our trip we realized that we hadn't brought enough money.

Halverwege de reis beseften we ons dat we niet genoeg geld mee hadden genomen.


Gerelateerd aan trip

trip up - journey - voyage - get off - trip out - turn on - jaunt - travel - stumble - misstep - trip-upcause - hallucinate - displace - walk - pace - fall