Vertaling van passé

Inhoud:

Frans
Nederlands
passé {bn.}
afgelopen 
laatstleden
verleden
verschenen
vervlogen
voorbij
passé {bn.}
verlept
passé {bn.}
verdord
passé [m] (le ~) {zn.}
verleden
verleden tijd
Ne vous souciez pas du passé.
Maak je geen zorgen over het verleden.
Tom est enfermé dans le passé.
Tom zit vast in het verleden.
passé [m] (le ~) {zn.}
verleden tijd
praeterium
donner, passer {ww.}
verdrijven
aanreiken 
doorbrengen
aangeven 

je passe
il/elle passe

ik verdrijf
hij/zij/het verdrijft
» meer vervoegingen van verdrijven

passer {ww.}
verstrijken
verlopen
vergaan
overgaan
overdrijven
omkomen 

je passe
il/elle passe

ik verstrijk
hij/zij/het verstrijkt
» meer vervoegingen van verstrijken

dépasser, passer, surmonter {ww.}
oversteken
te boven gaan
overgaan

je passe
il/elle passe

ik steek over
hij/zij/het steekt over
» meer vervoegingen van oversteken

dépasser, passer {ww.}
overlopen
oversteken
overgaan

je passe
il/elle passe

ik overloop
hij/zij/het overloopt
» meer vervoegingen van overlopen

donner, passer, abouler, bailler {ww.}
geven 
verlenen
toekennen
toebrengen
opbrengen
aangeven 

je passe
il/elle passe

ik geef
hij/zij/het geeft
» meer vervoegingen van geven

Je suis allé donner mon sang aujourd'hui.
Ik ben vandaag bloed wezen geven.
Je veux donner une plante à maman.
Ik wil een plant aan mama geven.
doubler, dépasser, passer {ww.}
voorbijvaren
passeren
voorbijrijden
inhalen

je passe
il/elle passe

ik vaar voorbij
hij/zij/het vaart voorbij
» meer vervoegingen van voorbijvaren

dépasser, passer {ww.}
langsgaan
passeren
voorbijgaan
voorbijlopen

je passe
il/elle passe

ik ga langs
hij/zij/het gaat langs
» meer vervoegingen van langsgaan


Voorbeelden in zinsverband

Frans
Nederlands

Ton temps est passé.

Je tijd is om.

Que s'est-il passé ?

Wat is er gebeurd?

Comment s'est passé ton entretien ?

Hoe is je sollicitatiegesprek gegaan?

Quelque chose s'est-il passé ?

Is er iets gebeurd?

Comment s'est passé ton anniversaire ?

Hoe was uw verjaardag?

Ne vous souciez pas du passé.

Maak je geen zorgen over het verleden.

Jusque là tout s'est bien passé.

Tot dusver gaat alles goed.

Comment s'est passé le cours de français ?

Hoe was de Franse les?

Où est passé tout le pain ?

Waar is al het brood gebleven?

Tom est enfermé dans le passé.

Tom zit vast in het verleden.

Je me demande ce qui s'est passé.

Ik vraag me af wat er gebeurd is.

Dix années avaient passé depuis qu'il était allé en Amérique.

Het is tien jaar geleden, toen hij in Amerika was.

J'ai été étonnée d'entendre ce qui s'était passé.

Ik was verwonderd wanneer ik hoorde wat er gebeurt was.

Ils voulaient vraiment savoir ce qui s'était passé.

Ze wilden echt weten wat er gebeurd is.

Avez-vous passé une bonne fin de semaine ?

Hebt ge een aangenaam weekend gehad?


Gerelateerd aan passé

donner - passer - dépasser - surmonter - abouler - bailler - doubler