Vertaling van soit ... soit ...

Inhoud:

Frans
Nederlands
soit ... soit ... {spreekw.}
of ... of ...
intervenir {ww.}
converseren
een gesprek voeren

il/elle soit intervenu(e)

atteindre, parvenir, remporter, aboutir {ww.}
bereiken 
behalen 
inhalen
reiken tot

il/elle soit parvenu(e)

descendre {ww.}
uitstappen

il/elle ait descendu; soit descendu(e)

arriver {ww.}
aanbelanden 
aanlanden
terechtkomen

il/elle soit arrivé(e)

monter {ww.}
instappen
in de trein stappen

il/elle soit monté(e)

entrer, entrer dans {ww.}
binnenkomen 
inkomen 

il/elle soit entré(e)

être {ww.}
wezen
zijn 

il/elle soit! (gebiedende wijs)

donner, passer, abouler, bailler {ww.}
geven 
aangeven 
opbrengen
toebrengen
toekennen
verlenen

il/elle ait passé; soit passé(e)

concorder, convenir, correspondre, coïncider {ww.}
congruent zijn
elkaar dekken

il/elle ait convenu; soit convenu(e)

convenir {ww.}
afspreken 
een schikking treffen
het eens zijn
overeenkomen 

il/elle ait convenu; soit convenu(e)

intervenir {ww.}
ingrijpen
interveniëren
tussenbeide komen

il/elle soit intervenu(e)

arriver {ww.}
aankomen 
arriveren 

il/elle soit arrivé(e)

aller, se déplacer {ww.}
gaan 
lopen 
van stapel lopen
verlopen
zich begeven

il/elle soit allé(e)

décéder {ww.}
aftrekken 
sterven
vergaan
verscheiden

il/elle soit décédé(e)

partir {ww.}
afrijden
uitlopen
uitvaren
vertrekken
wegrijden

il/elle soit parti(e)

entrer, pénétrer {ww.}
binnendringen
doordringen
doorstoten

il/elle soit entré(e)

doubler, dépasser, passer {ww.}
inhalen
passeren
voorbijrijden
voorbijvaren

il/elle ait passé; soit passé(e)

descendre, s'abaisser {ww.}
afdalen 
naar beneden gaan 
zinken 

il/elle ait descendu; soit descendu(e)

dépasser, passer {ww.}
langsgaan
passeren
voorbijgaan
voorbijlopen

il/elle ait passé; soit passé(e)

arriver, parvenir, réussir, abouter {ww.}
doorkomen
klaarspelen
slagen 
slagen voor

il/elle soit arrivé(e)

intervenir {ww.}
zich mengen

il/elle soit intervenu(e)

monter, gravir {ww.}
klimmen
naar boven gaan
rijzen
stijgen
bestijgen 

il/elle soit monté(e)

partir {ww.}
opstappen
op weg gaan
tijgen
weggaan 

il/elle soit parti(e)

convenir, être bon à {ww.}
deugen
geschikt zijn

il/elle ait convenu; soit convenu(e)

apparaître, paraître, surgir {ww.}
verschijnen
uitkomen 
opdraven
te voorschijn komen
opdagen
Il y a des gens dans le monde si affamés que Dieu ne peut pas leur apparaître, sauf sous forme de pain.
Er zijn mensen in de wereld die zo'n honger hebben, dat God alleen in de vorm van brood aan hen kan verschijnen.
partir, s'en aller {ww.}
afgaan 
vertrekken
weggaan 
zich verwijderen

il/elle soit parti(e)

provenir {ww.}
voortkomen
het gevolg zijn van
ontspruiten
afstammen 
partir {ww.}
losbranden
afvuren
partir, se mettre à fonctionner {ww.}
aan de gang brengen
descendre, donner, aboutir, sorter {ww.}
uittreden
uitstijgen
uitstappen
uitlopen
uitkomen 
uitgaan 
monter {ww.}
in een auto stappen
instappen
descendre {ww.}
uitstappen
entrer, entrer en gare {ww.}
op het station aankomen
entrer, entrer dans, entrer en {ww.}
binnengaan 
binnenlopen
ingaan

il/elle soit entré(e)

aller, se porter {ww.}
gesteld zijn
het maken

il/elle soit allé(e)

devenir {ww.}
raken 
worden 

il/elle soit devenu(e)

convenir {ww.}
gelegen komen
passen
schikken 
uitkomen 
voegen
betamen

il/elle ait convenu; soit convenu(e)

atteindre, frapper, parvenir, saisir {ww.}
halen
inslaan
raken 
teisteren
treffen 

il/elle soit parvenu(e)

arriver, avoir lieu, intervenir {ww.}
aan de hand zijn
gebeuren
geschieden
voorkomen
voorvallen
vóórkomen

il/elle soit arrivé(e)

donner, passer {ww.}
aangeven 
aanreiken 
doorbrengen
verdrijven

il/elle ait passé; soit passé(e)

décéder, mourir {ww.}
doodgaan
overlijden 
sterven
verscheiden
versmachten

il/elle soit décédé(e)

monter {ww.}
monteren 
zetten 

il/elle soit monté(e)

naître {ww.}
geboren worden
ontluiken
spruiten

il/elle soit né(e)

passer {ww.}
omkomen 
overdrijven
overgaan
vergaan
verlopen
verstrijken

il/elle ait passé; soit passé(e)

démarrer, partir {ww.}
starten
vertrekken

il/elle soit parti(e)

aller, aller en véhicule, se déplacer {ww.}
gaan 
karren
rijden
varen 

il/elle soit allé(e)

dépasser, passer, surmonter {ww.}
overgaan
oversteken
te boven gaan

il/elle ait passé; soit passé(e)

dépasser, passer {ww.}
overgaan
overlopen
oversteken

il/elle ait passé; soit passé(e)

monter {ww.}
beklimmen 

il/elle soit monté(e)


Gerelateerd aan soit ... soit ...

intervenir - atteindre - parvenir - remporter - aboutir - descendre - arriver - monter - entrer - entrer dans - être - donner - passer - abouler - bailler