Vertaling van bezit

Inhoud:

Nederlands
Engels
bezit [o] {zn.}
possession 
ownership 
Portugal heeft gedecriminaliseerd het persoonlijk bezit van drugs.
Portugal has decriminalized the personal possession of drugs.
bezit [o], bezitting [v], eigendom [o], goed, vermogen {zn.}
possession 
property
We erkennen je recht op dit onroerend goed.
We concede your right to this property.
bezit [o] {zn.}
possessions
actief [o], bedrijvende vorm [m], bezit [o], tegoed {zn.}
active 
assets
De aandelenmarkt is erg actief.
The stock market is very active.
Ze is zo actief als ze eruit ziet.
She is as active as she looks.
bezitten, erop nahouden, rijk zijn {ww.}
to own 
to possess 

ik bezit
jij bezit
hij/zij/het bezit

I own
you own
he/she/it owns
» meer vervoegingen van to own

Ieren migreerden naar Amerika om land te bezitten.
Irish people migrated to America to have their own property.
bezitten, tellen, kennen {ww.}
to have
to own
to possess

ik bezit
jij bezit
hij/zij/het bezit

I have
you have
he/she/it has
» meer vervoegingen van to have

Jullie kennen de uitdrukking, dat we oogsten wat we zaaien. Ik heb de wind gezaaid en hier is mijn storm.
You know the phrase, we harvest, that which we sow. I have sown the wind and this is my storm.

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Ze bezit tweeduizend boeken.

She owns two thousand books.

De hertog bezit veel land.

The duke holds a lot of land.

Hij bezit veel boeken over geschiedenis.

He has many history books.

Portugal heeft gedecriminaliseerd het persoonlijk bezit van drugs.

Portugal has decriminalized the personal possession of drugs.

Geachte passagiers! Indien u het vervoermiddel betreedt zonder in het bezit te zijn van een geldig abonnement, stempel dan uw plaatsbewijs af vóór de volgende halte.

Dear passengers! If you get on a means of transport and don’t have a season ticket, punch a one-time ticket without waiting for the next station.


Gerelateerd aan bezit

bezitting - eigendom - goed - vermogen - actief - bedrijvende vorm - tegoed - bezitten - erop nahouden - rijk zijn - tellen - kennenhebben