Vertaling van ding
Inhoud:
Nederlands
Engels
ding , dinges , hoe-heet-het {zn.}
whatchamacallit
thingummyjig
thingamajig
thingummyjig
thingamajig
Je moet me alleen één ding beloven.
You just have to promise me one thing.
Er is slechts één ding dat we kunnen doen nu!
There's only one thing we can do now!
Laat mij een ding zeggen.
Let me say one thing.
Ik heb geen idee hoe je dit ding moet gebruiken.
I have no idea how to use this thing.
ding, kind {zn.}
child
kid
youngster
tyke
tike
tiddler
small fry
shaver
nipper
nestling
minor
fry
kid
youngster
tyke
tike
tiddler
small fry
shaver
nipper
nestling
minor
fry
Het kind schilderde bloemen.
The child painted flowers.
Ik ben enig kind.
I am an only child.
ding {zn.}
thing
Weten is één ding, het ook doen is heel wat anders.
To know is one thing, and to do is another.
zaak , ding {zn.}
thing
affair
matter
affair
matter
Een taal spreken is één ding, maar iemand een taal leren is iets helemaal anders.
It's one thing to speak a language; teaching it is a whole new ball game.
Ik heb niets met de zaak te maken.
I have nothing to do with the affair.
voorwerp , ding {zn.}
physical object
object
object
dingen {ww.}
to endeavor
to endeavour
to strive
to endeavour
to strive
ik ding
I endeavor
» meer vervoegingen van to endeavor
afdingen, afpingelen, dingen, marchanderen, pingelen {ww.}
to negociate
to negotiate
to talk terms
to negotiate
to talk terms
ik ding
I negotiate
» meer vervoegingen van to negotiate
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Engels
Je moet me alleen één ding beloven.
You just have to promise me one thing.
Het eerste ding dat hij kocht was een wekker.
The first item he bought was an alarm clock.
Er is slechts één ding dat we kunnen doen nu!
There's only one thing we can do now!
Een taal spreken is één ding, maar iemand een taal leren is iets helemaal anders.
It's one thing to speak a language; teaching it is a whole new ball game.