Vertaling van jong

Inhoud:

Nederlands
Engels
afstammeling [m], kind [o], nakomeling [m], jong [o], loot [v], spruit [v], telg [v] {zn.}
child 
young 
descendant
Zijn zus ziet er jong uit.
His sister looks young.
De nacht is nog jong.
The night is still young.
jeugdig, jong, pril {bn.}
young 
jonkie [m] (het ~), kleintje, jong [o] (het ~) {zn.}
baby
jongen [m] (de ~), boy [m] (de ~), goof, gozer [m] (de ~), joch [m] (de/het ~), jongetje, knaap [m] (de ~), knul [m] (de ~), jong [m] (het ~) {zn.}
boy
male child
De jongen liep weg.
The boy ran away.
Die jongen eet niet.
That boy doesn't eat.
klein, jong {bn.}
immature
young
recent, laatst, vers, jong, nieuw {bn.}
fresh
new
novel


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

De nacht is nog jong.

The night is still young.

Jong geleerd is oud gedaan.

What is learned in the cradle is carried to the tomb.

Ze was mooi toen ze jong was.

She was beautiful when she was young.

Je bent te jong om te trouwen.

You're too young to marry.

Ik ben niet zo jong als vroeger.

I'm not as young as I used to be.

Je moeder is heel jong, niet?

Your mother is very young, isn't she?

Hij is jong, maar wel heel intelligent.

He's young, but he's very intelligent.

Ik zou willen opnieuw jong zijn.

I wish that I were young again.

Zijn zus ziet er jong uit.

His sister looks young.

Ze is even jong als ik.

She is as young as I am.

Ze is te jong om naar school te gaan.

She is too young to go to school.

Zij zijn getrouwd toen ze nog jong waren.

They married when they were young.

Ze lijkt jong maar eigenlijk is ze ouder dan jij.

She looks young, but actually she's older than you are.

Toen ze jong was, was ze zeer populair.

When she was young, she was very popular.

Mijn oom is niet jong, maar hij is wel gezond.

My uncle isn't young, but he's healthy.


Gerelateerd aan jong

afstammeling - kind - nakomeling - loot - spruit - telg - jeugdig - pril - jonkie - kleintje - jongen - boy - goof - gozer - jochdier - ding - pasgeboren