Vertaling van land

Inhoud:

Nederlands
Engels
land [o] {zn.}
country 
land 
De zeelui zagen land.
The sailors saw land.
Ze verlieten hun land.
They abandoned their country.
land [o], terrein [o], veld [o] {zn.}
area 
district 
field 
land [o] (het ~) {zn.}
farmland
farming area
aarde [v], aardrijk [o], bodem [m], grond [m], land [o], aardbodem {zn.}
earth 
ground 
land 
soil
De aarde bestaat uit zee and land.
The earth is made up of sea and land.
De aarde is rond.
The earth is round.
land [o] (het ~), vasteland [o] (het ~) {zn.}
land
earth
terra firma
solid ground
ground
dry land
De hertog bezit veel land.
The duke holds a lot of land.
Het land ten noordoosten was laagland.
The land to the northeast was low-lying.
aan land gaan, aan wal komen, landen {ww.}
to land 
to berth

ik land

I land
» meer vervoegingen van to land

aan land gaan, landen, aanlanden {ww.}
to land 

ik land

I land
» meer vervoegingen van to land

dalen, landen, neerstrijken {ww.}
to land 
to alight
to beach 

ik land

I land
» meer vervoegingen van to land

platteland [o] (het ~), land [o] (het ~), landerijen [v] (de ~), landouwen [m] (de ~), provincie [v] (de ~) {zn.}
country
area
Hij woont op het platteland.
He dwells in the country.
Mijn ouders wonen op het platteland.
My parents live in the country.
staat [m] (de ~), land [o] (het ~) {zn.}
country
land
state
res publica
nation
commonwealth
body politic
De mensen die in dat land woonden waren niet in staat om hun leiders tegen te spreken.
The people who lived in that country were not able speak out against their leaders.
Japan is een rijk land.
Japan is a rich country.
gouw, land [o] (het ~), landstreek [m] (de ~), regio [m] (de ~), gewest [o] (het ~), streek [m] (de ~) {zn.}
country
area
Hij kent de streek op zijn duimpje.
He knows the area like the back of his hand.
Zwitserland is een mooi land.
Switzerland is a beautiful country.
landen {ww.}
to bring
to land

ik land

I bring
» meer vervoegingen van to bring

landen {ww.}
to land
to set down

ik land

I land
» meer vervoegingen van to land

landen {ww.}
to land
to set down

ik land

I land
» meer vervoegingen van to land


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

De zeelui zagen land.

The sailors saw land.

Ze verlieten hun land.

They abandoned their country.

Japan is een rijk land.

Japan is a rich country.

Zwitserland is een mooi land.

Switzerland is a beautiful country.

Israël is een ontwikkeld land.

Israel is a developed country.

De hertog bezit veel land.

The duke holds a lot of land.

Pakistan is een islamitisch land.

Pakistan is a Muslim country.

Nederland is een klein land.

The Netherlands is a small country.

Spanje is een Europees land.

Spain is a European country.

Uit welk land kom je?

What country are you from?

Uit welk land kom je?

Which country are you from?

China is een groot land.

China is a large country.

Zwitserland is een neutraal land.

Switzerland is a neutral country.

Ons land grenst aan een aantal landen.

Our country borders on several countries.

Japan is een land van eilanden.

Japan is an island country.