Vertaling van met
Voorbeelden in zinsverband
God zij met ons.
God be with us.
God zij met ons.
May God be with us.
Kinderen spelen met speelgoed.
Children play with toys.
Laat me met rust!
Leave me alone!
Met douche/ Met badkamer
With shower / With bathroom
En met jou, hoe gaat het met jou?
And you, how are you?
Ik reis liever met de trein dan met de vliegtuig.
I prefer travelling by train to flying.
Houdt ge van vrouwen met grote of met kleine borsten?
Do you like women with large or small breasts?
Met wie spreek ik nu?
Who am I currently speaking to ?
Magda trouwt met een Spanjaard.
Magda marries a Spaniard.
Wil je met me dansen?
Would you like to dance with me?
Ik ben met Pokémon opgegroeid.
I grew up on watching Pokémon.
Hij stopte plotseling met praten.
He suddenly stopped talking.
Kan ik met Pedro spreken?
May I speak to Pedro?
Met wie ben je gekomen?
Who did you come with?