Vertaling van passen

Inhoud:

Nederlands
Engels
passen {ww.}
to fit 

wij passen
jullie passen
zij passen

we fit
you fit
they fit
» meer vervoegingen van to fit

Deze schoenen passen niet.
These shoes don't fit my feet.
Ze passen perfect bij elkaar.
They fit each other so perfectly.
passen, aanpassen {ww.}
to try on
Mag ik deze jurk passen?
May I try on this dress?
"Ik heb verschrikkelijke haast... om redenen die ik niet kan noemen," antwoordde Dima de vrouw. "Laat me alstublieft gewoon dat pak daar passen."
"I'm in a terrible hurry... for reasons I can't say," Dima replied to the woman. "Please, just let me try on that suit there."
passen, passen in {ww.}
to fit in
passen, aanpassen {ww.}
to try on

wij passen

passen {ww.}
to fit 

wij passen
jullie passen
zij passen

we fit
you fit
they fit
» meer vervoegingen van to fit

Deze brillen passen me niet goed, ze zijn te groot.
These glasses do not fit me well. They are too large.
gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen, betamen {ww.}
to fit 
to suit 
to comply 
to be suitable
to be appropriate

wij passen
jullie passen
zij passen

we fit
you fit
they fit
» meer vervoegingen van to fit

Je schoenen passen niet bij dat pak.
Your shoes do not go with the suit.
Die schoenen passen niet met het pak.
Those shoes do not go with the suit.
betamen, horen, behoren, passen, voegen {ww.}
to be fitting
to befit

wij passen
jullie passen
zij passen

we befit
you befit
they befit
» meer vervoegingen van to befit

bijeenpassen, harmoniëren, samenklinken, passen {ww.}
to get along
to match 
to harmonize 
to accord
to fit together

wij passen
jullie passen
zij passen

we match
you match
they match
» meer vervoegingen van to match

beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen {ww.}
to attempt 
to test 
to try 
to pilot
to prove 
to sample
to assay

wij passen
jullie passen
zij passen

we attempt
you attempt
they attempt
» meer vervoegingen van to attempt

in overeenstemming zijn, passen {ww.}
to fit 
to correspond
to fit in
to conform 

wij passen
jullie passen
zij passen

we fit
you fit
they fit
» meer vervoegingen van to fit

pas (mv. passen) [m], paspoort [o] {zn.}
passport 
pas (mv. passen), schrede, stap, tred, voetstap {zn.}
pace
step 
stride
footstep
alleen, enkel, maar, pas (mv. passen), slechts, uitsluitend {bw.}
exclusively
just 
only 
merely 
simply 
solely 
but 
bergpas [m], pas (mv. passen) {zn.}
pass 
juist, net, pas (mv. passen), straks, zojuist, zoëven, daarnet, daarstraks, zonet {bw.}
just 
just now
newly 
paspoort [o] (het ~), pas (mv. passen) {zn.}
passport
pas (mv. passen) {zn.}
flip
pass
toss
pas (mv. passen) [m] (de ~) {zn.}
pace
stride
tread
bergpas [m] (de ~), zadel [o] (het ~), pas (mv. passen) [m] (de ~) {zn.}
mountain pass
notch
pass


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Tom wil dit passen.

Tom wants to try this on.

Deze schoenen passen niet.

These shoes don't fit my feet.

Mag ik deze jurk passen?

May I try on this dress?

Mag ik het eens passen?

May I try this on?

Ze passen perfect bij elkaar.

They fit each other so perfectly.

Mag ik het eens passen?

May I try it on?

Je schoenen passen niet bij dat pak.

Your shoes do not go with the suit.

Je schoenen passen niet bij dat pak.

Your shoes don't go with that outfit.

Ik zal op je kinderen passen vanavond.

I'll take care of your children tonight.

Die schoenen passen niet met het pak.

Those shoes do not go with the suit.

Zoudt ge even op mijn koffer willen passen?

Would you mind watching my suitcase for a minute?

Er passen krap vijftig mensen in deze zaal.

This room fits just under fifty people.

Het is moeilijk dit verhaal aan te passen voor kinderen.

It is hard to adapt this story for children.

Deze brillen passen me niet goed, ze zijn te groot.

These glasses do not fit me well. They are too large.

Ze vroeg me om op haar baby te passen tijdens haar afwezigheid.

She asked me to look after her baby in her absence.