Vertaling van weken

Inhoud:

Nederlands
Engels
weken {ww.}
to soak
to imbue

wij weken
jullie weken
zij weken

we imbue
you imbue
they imbue
» meer vervoegingen van to imbue

in de week zetten, weekmaken, weken {ww.}
to soak
weken {zn.}
soakage
soaking
soak
aflaten, ophouden, stoppen, uitscheiden, wijken {ww.}
to stop 
to quit 
to abate
to end 
to cease 

wij weken
jullie weken
zij weken

we stopped
you stopped
they stopped
» meer vervoegingen van to stop

Laat ons ophouden.
Let's quit.
Ge moet stoppen met roken.
You must quit smoking.
'm smeren, verdwijnen, wijken, verzwinden, zwinden {ww.}
to disappear 
to vanish

wij weken
jullie weken
zij weken

we disappeared
you disappeared
they disappeared
» meer vervoegingen van to disappear

toegeven, afstaan, wijken {ww.}
to cede 
to yield 
to give way
to grant 
to accommodate 
to assign 

wij weken
jullie weken
zij weken

we ceded
you ceded
they ceded
» meer vervoegingen van to cede

week (mv. weken) {zn.}
week 
mals, murw, week (mv. weken), zacht {bn.}
soft 
gentle 
tender 
inweken, weken {ww.}
to souse
to sop
to soak
to drench
to dowse
to douse

wij weken
jullie weken
zij weken

we drench
you drench
they drench
» meer vervoegingen van to drench

inweken, weken {ww.}
to soak
wijken {ww.}
to deflect

wij weken
jullie weken
zij weken

we deflected
you deflected
they deflected
» meer vervoegingen van to deflect

verdwijnen, eclipseren, verzwinden, wijken, weggaan {ww.}
to disappear
to go away
to vanish

wij weken
jullie weken
zij weken

we disappeared
you disappeared
they disappeared
» meer vervoegingen van to disappear

wijken, achteruitwijken {ww.}
to buckle under
to give in
to knuckle under
to succumb
to yield

wij weken
jullie weken
zij weken

we yielded
you yielded
they yielded
» meer vervoegingen van to yield

week [m] (de ~) {zn.}
week
hebdomad
Het regende een week lang.
The rain lasted a week.
Bill komt volgende week terug.
Bill will return next week.
week (mv. weken) {bn.}
pulpy
squashy
sentimenteel, weeïg, week (mv. weken) {bn.}
effusive
gushing
gushy
karakterloos, soft, week (mv. weken), slap, zwak, halfzacht {bn.}
gutless

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Drie weken gingen voorbij.

Three weeks went by.

Het koude weer duurde voor drie weken.

The cold weather continued for three weeks.

Japanse middelbareschoolleerlingen gaan 35 weken per jaar naar school.

Japanese high school students go to school 35 weeks a year.

We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.

We intended to stay there about two weeks.

Er zijn al twee weken voorbij, en ik heb u niet gezien.

Two weeks have passed and I haven't seen you.

Als je anjers 7Up geeft in plaats van water, staan ze veel langer - vaak wel drie of vier weken.

If you give carnations 7Up instead of water, they last much longer - often as long as three or four weeks.

Als ik je wilde bang maken, zou ik je vertellen waar ik een paar weken geleden over gedroomd heb.

If I wanted to scare you, I would tell you what I dreamt about a few weeks ago.