Vertaling van gaan
ir en vehículo
wij gaan
jullie gaan
zij gaan
nosotros vamos
vosotros vais
ellos/ellas van
» meer vervoegingen van ir
wij gaan
jullie gaan
zij gaan
nosotros tocamos
vosotros tocáis
ellos/ellas tocan
» meer vervoegingen van tocar
wij gaan
jullie gaan
zij gaan
nosotros vamos
vosotros vais
ellos/ellas van
» meer vervoegingen van ir
curso
Voorbeelden in zinsverband
Naar waar gaan we?
¿Adónde vamos?
Ik moet gaan.
Me debería ir.
Laten we niet gaan.
No vayamos.
Ze liet haar gaan.
La dejó ir.
Ik moet gaan slapen.
Tengo que irme a dormir.
Laten we verder gaan.
Prosigamos.
Laat me alleen gaan.
Déjame ir solo.
Nou, laten we gaan.
Pues vámonos.
Hij wil naar Amerika gaan.
Su deseo es ir a América.
Mag ik naar huis gaan?
¿Me puedo ir a mi casa?
Laat ons naar beneden gaan.
Vayamos abajo.
Ik wil niet alleen gaan.
No quiero ir sola.
Wij moeten naar school gaan.
Tenemos que ir al colegio.
Laat ons vanmiddag gaan tennissen.
Vamos a jugar tenis esta tarde.
Hoe gaan we daar komen?
¿Cómo vamos a llegar allí?