Vertaling van gaan

Inhoud:

Nederlands
Spaans
gaan, karren, rijden, varen {ww.}
ir
ir en vehículo

wij gaan
jullie gaan
zij gaan

nosotros vamos
vosotros vais
ellos/ellas van
» meer vervoegingen van ir

Ik moet gaan.
Me debería ir.
Ze liet haar gaan.
La dejó ir.
gaan, kleppen, klinken, overgaan, slaan {ww.}
tocar

wij gaan
jullie gaan
zij gaan

nosotros tocamos
vosotros tocáis
ellos/ellas tocan
» meer vervoegingen van tocar

gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven {ww.}
ir

wij gaan
jullie gaan
zij gaan

nosotros vamos
vosotros vais
ellos/ellas van
» meer vervoegingen van ir

Moet ik nu gaan?
¿Debo ir ahora?
Moet ik onmiddellijk gaan?
¿Tengo que ir enseguida?
gaan [o], gang [m], loop [m], verloop {zn.}
desarrollo [m] (el ~)
curso [m] (el ~)


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

Naar waar gaan we?

¿Adónde vamos?

Ik moet gaan.

Me debería ir.

Laten we niet gaan.

No vayamos.

Ze liet haar gaan.

La dejó ir.

Ik moet gaan slapen.

Tengo que irme a dormir.

Laten we verder gaan.

Prosigamos.

Laat me alleen gaan.

Déjame ir solo.

Nou, laten we gaan.

Pues vámonos.

Hij wil naar Amerika gaan.

Su deseo es ir a América.

Mag ik naar huis gaan?

¿Me puedo ir a mi casa?

Laat ons naar beneden gaan.

Vayamos abajo.

Ik wil niet alleen gaan.

No quiero ir sola.

Wij moeten naar school gaan.

Tenemos que ir al colegio.

Laat ons vanmiddag gaan tennissen.

Vamos a jugar tenis esta tarde.

Hoe gaan we daar komen?

¿Cómo vamos a llegar allí?


Gerelateerd aan gaan

karren - rijden - varen - kleppen - klinken - overgaan - slaan - lopen - van stapel lopen - verlopen - zich begeven - gang - loop - verloop