Vertaling van beleggen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
beleggen, uitzetten {ww.}
beleggen
uitzetten {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt
» meer vervoegingen van beleggen

Hij kan een miljoen yen beleggen.
Hij kan een miljoen yen beleggen.
beleggen, investeren, inhuldigen {ww.}
beleggen
investeren
inhuldigen {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt
» meer vervoegingen van beleggen

beleggen, uitschrijven {ww.}
beleggen
uitschrijven {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt
» meer vervoegingen van beleggen

houden, beleggen, uitschrijven, teweegbrengen {ww.}
houden
beleggen
uitschrijven
teweegbrengen {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik houd
jij houdt
hij/zij/het houdt
» meer vervoegingen van houden

Rechts houden.
Rechts houden.
Laten we koffiepauze houden.
Laten we koffiepauze houden.
beleggen {ww.}
beleggen {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt
» meer vervoegingen van beleggen

beleggen {ww.}
beleggen {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt
» meer vervoegingen van beleggen

bedekken, dekken, beleggen, toedekken {ww.}
bedekken
dekken
beleggen
toedekken {ww.}

ik bedek
jij bedekt
hij/zij/het bedekt

ik bedek
jij bedekt
hij/zij/het bedekt
» meer vervoegingen van bedekken

Bossen bedekken 9,4% van het aardoppervlak.
Bossen bedekken 9,4% van het aardoppervlak.
Dit vloerkleed is groot genoeg om de hele vloer te bedekken.
Dit vloerkleed is groot genoeg om de hele vloer te bedekken.
vangen, beleggen {ww.}
vangen
beleggen {ww.}

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt

ik vang
jij vangt
hij/zij/het vangt
» meer vervoegingen van vangen

Katten vangen muizen.
Katten vangen muizen.
We zetten vallen om kakkerlakken te vangen.
We zetten vallen om kakkerlakken te vangen.