Vertaling van dekken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
dekken, bevruchten {ww.}
dekken
bevruchten {ww.}

ik bevrucht
jij bevrucht
hij/zij/het bevrucht

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

In het begin konden we de eindjes aan elkaar knopen maar na verloop van tijd konden we onze kosten niet meer dekken.
In het begin konden we de eindjes aan elkaar knopen maar na verloop van tijd konden we onze kosten niet meer dekken.
dekken {ww.}
dekken {ww.}

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

dekken, overlappen {ww.}
dekken
overlappen {ww.}

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

dekken {ww.}
dekken {ww.}

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

dekken, bespringen {ww.}
dekken
bespringen {ww.}

ik bespring
jij bespringt
hij/zij/het bespringt

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

dekken {ww.}
dekken {ww.}

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

beleggen, dekken, bedekken, toedekken {ww.}
beleggen
dekken
bedekken
toedekken {ww.}

ik bedek
jij bedekt
hij/zij/het bedekt

ik beleg
jij belegt
hij/zij/het belegt
» meer vervoegingen van beleggen

dekken {ww.}
dekken {ww.}

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt

ik dek
jij dekt
hij/zij/het dekt
» meer vervoegingen van dekken

dek (mv. dekken) [o], scheepsdek [o], verdek [o] {zn.}
dek (mv. dekken) [o]
scheepsdek [o]
verdek [o] {zn.}
dek (mv. dekken) [o], deken [v] {zn.}
dek (mv. dekken) [o]
deken [v] {zn.}
dek (mv. dekken) [o], bedekking [v] {zn.}
dek (mv. dekken) [o]
bedekking [v] {zn.}
dek (mv. dekken) [o], dekking [v], bedekking [v], hulsel {zn.}
dek (mv. dekken) [o]
dekking [v]
bedekking [v]
hulsel {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dekblad, dek (mv. dekken) {zn.}
dekblad
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek (mv. dekken) {zn.}
dek [o] (het ~) {zn.}
dek [o] (het ~) {zn.}
dek [o] (het ~) {zn.}
dek [o] (het ~) {zn.}
deken [m] (de ~), beddedeken, beddendeken, dek (mv. dekken) {zn.}
deken [m] (de ~)
beddedeken
beddendeken
dek (mv. dekken) {zn.}