Vertaling van danken
bedanken
te danken hebben
dank betuigen {ww.}
ik bedank
jij bedankt
hij/zij/het bedankt
ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken
dankzeggen {ww.}
ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken
bedanken {ww.}
ik bedank
jij bedankt
hij/zij/het bedankt
ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken
ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken
Voorbeelden in zinsverband
Niets te danken!
Niets te danken!
Hij zou u moeten danken.
Hij zou u moeten danken.
Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.
Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.
Je hebt je falen aan Jim te danken.
Je hebt je falen aan Jim te danken.
Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.
Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.
Wat ik weet over moraal, heb ik te danken aan voetbal.
Wat ik weet over moraal, heb ik te danken aan voetbal.