Vertaling van danken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
danken, bedanken, te danken hebben, dank betuigen {ww.}
danken
bedanken
te danken hebben
dank betuigen {ww.}

ik bedank
jij bedankt
hij/zij/het bedankt

ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken

Ik kan hem niet genoeg bedanken.
Ik kan hem niet genoeg bedanken.
Ik kan hem niet genoeg bedanken.
Ik kan hem niet genoeg bedanken.
danken, dankzeggen {ww.}
danken
dankzeggen {ww.}

ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt

ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken

Niets te danken!
Niets te danken!
Hij zou u moeten danken.
Hij zou u moeten danken.
danken, bedanken {ww.}
danken
bedanken {ww.}

ik bedank
jij bedankt
hij/zij/het bedankt

ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken

Allereerst wil ik u bedanken voor de gastvrijheid.
Allereerst wil ik u bedanken voor de gastvrijheid.
Ik kan je niet genoeg bedanken voor jouw hulp.
Ik kan je niet genoeg bedanken voor jouw hulp.
danken {ww.}
danken {ww.}

ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt

ik dank
jij dankt
hij/zij/het dankt
» meer vervoegingen van danken

Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.
Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.
Je hebt je falen aan Jim te danken.
Je hebt je falen aan Jim te danken.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Niets te danken!

Niets te danken!

Hij zou u moeten danken.

Hij zou u moeten danken.

Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.

Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.

Je hebt je falen aan Jim te danken.

Je hebt je falen aan Jim te danken.

Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.

Wat ik ben, heb ik te danken aan mijn moeder.

Wat ik weet over moraal, heb ik te danken aan voetbal.

Wat ik weet over moraal, heb ik te danken aan voetbal.


Gerelateerd aan danken

bedanken - te danken hebben - dank betuigen - dankzeggenbidden - uiten - toerekenen