Vertaling van geur
aroma {zn.}
parfum
odeur {zn.}
geur
reuk
luchtje {zn.}
ik geur
jij geurt
hij/zij/het geurt
ik geur
jij geurt
hij/zij/het geurt
» meer vervoegingen van geuren
geuren
rieken {ww.}
ik geur
jij geurt
hij/zij/het geurt
ik ruik
jij ruikt
hij/zij/het ruikt
» meer vervoegingen van ruiken
lekker ruiken {ww.}
ik geur
jij geurt
hij/zij/het geurt
ik geur
jij geurt
hij/zij/het geurt
» meer vervoegingen van geuren
geur
reuk
odeur
geurtje {zn.}
geuren
rieken {ww.}
ik geur
jij geurt
hij/zij/het geurt
ik ruik
jij ruikt
hij/zij/het ruikt
» meer vervoegingen van ruiken
Voorbeelden in zinsverband
De geur van lelies vulde de kamer.
De geur van lelies vulde de kamer.
De geur van rozen vulde de kamer.
De geur van rozen vulde de kamer.
Deze bloem geeft een sterke geur af.
Deze bloem geeft een sterke geur af.
De geur van gemaaid gras roept beelden op van hete zomermiddagen.
De geur van gemaaid gras roept beelden op van hete zomermiddagen.