Vertaling van kaarten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
kaarten, kaartspelen {ww.}
kaarten
kaartspelen {ww.}

ik kaart
jij kaart
hij/zij/het kaart

ik kaart
jij kaart
hij/zij/het kaart
» meer vervoegingen van kaarten

Heb je echt gratis kaarten voor het concert?
Heb je echt gratis kaarten voor het concert?
"Ik heb zin om te kaarten." "Ik ook."
"Ik heb zin om te kaarten." "Ik ook."
kaarten, kaartspelen {ww.}
kaarten
kaartspelen {ww.}

ik kaart
jij kaart
hij/zij/het kaart

ik kaart
jij kaart
hij/zij/het kaart
» meer vervoegingen van kaarten

Je kan niet verdwaald raken in grote steden; er zijn overal kaarten!
Je kan niet verdwaald raken in grote steden; er zijn overal kaarten!
kaart (mv. kaarten) [v] {zn.}
kaart (mv. kaarten) [v] {zn.}
Laten we kaart spelen.
Laten we kaart spelen.
Dit is een kaart.
Dit is een kaart.
kaart (mv. kaarten) [v], speelkaart {zn.}
kaart (mv. kaarten) [v]
speelkaart {zn.}
Er hangt een kaart aan de muur.
Er hangt een kaart aan de muur.
Dit gebied is niet in kaart gebracht.
Dit gebied is niet in kaart gebracht.
fiche, kaartje [o], kaart (mv. kaarten) [v] {zn.}
fiche
kaartje [o]
kaart (mv. kaarten) [v] {zn.}
kaart (mv. kaarten) [v], landkaart [v] {zn.}
kaart (mv. kaarten) [v]
landkaart [v] {zn.}
Kaart [o] {eigenn.}
Kaart [o] {eigenn.}
kaart [m] (de ~) {zn.}
kaart [m] (de ~) {zn.}
Waar kan ik een kaart kopen?
Waar kan ik een kaart kopen?
kaart [m] (de ~) {zn.}
kaart [m] (de ~) {zn.}
kaart [m] (de ~), menu [m] (de/het ~), spijskaart [m] (de ~), menukaart [m] (de ~) {zn.}
kaart [m] (de ~)
menu [m] (de/het ~)
spijskaart [m] (de ~)
menukaart [m] (de ~) {zn.}
kaart [m] (de ~), speelkaart [m] (de ~) {zn.}
kaart [m] (de ~)
speelkaart [m] (de ~) {zn.}
ansichtkaart [m] (de ~), ansicht [m] (de ~), kaart (mv. kaarten), prentbriefkaart [m] (de ~), prentkaart {zn.}
ansichtkaart [m] (de ~)
ansicht [m] (de ~)
kaart (mv. kaarten)
prentbriefkaart [m] (de ~)
prentkaart {zn.}
kaart (mv. kaarten) {zn.}
kaart (mv. kaarten) {zn.}
kaart (mv. kaarten) {zn.}
kaart (mv. kaarten) {zn.}
toegangsbewijs [o] (het ~), entreebewijs [o] (het ~), entreebiljet [o] (het ~), kaart (mv. kaarten), kaartje, entreekaart [m] (de ~) {zn.}
toegangsbewijs [o] (het ~)
entreebewijs [o] (het ~)
entreebiljet [o] (het ~)
kaart (mv. kaarten)
kaartje
entreekaart [m] (de ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Heb je echt gratis kaarten voor het concert?

Heb je echt gratis kaarten voor het concert?

"Ik heb zin om te kaarten." "Ik ook."

"Ik heb zin om te kaarten." "Ik ook."

Je kan niet verdwaald raken in grote steden; er zijn overal kaarten!

Je kan niet verdwaald raken in grote steden; er zijn overal kaarten!