Vertaling van meerderen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
meerderen {ww.}
meerderen {ww.}

ik meerder
jij meerdert
hij/zij/het meerdert

ik meerder
jij meerdert
hij/zij/het meerdert
» meer vervoegingen van meerderen

baas [m], meerdere (mv. meerderen), aanvoerder [m], superieur, chef [m] {zn.}
baas [m]
meerdere (mv. meerderen)
aanvoerder [m]
superieur
chef [m] {zn.}
Waar is de baas?
Waar is de baas?
George is onze team aanvoerder.
George is onze team aanvoerder.
groeien, vermeerderen, meerderen {ww.}
groeien
vermeerderen
meerderen {ww.}

ik groei
jij groeit
hij/zij/het groeit

ik groei
jij groeit
hij/zij/het groeit
» meer vervoegingen van groeien

Sinaasappels groeien in warme landen.
Sinaasappels groeien in warme landen.
Planten groeien snel na regen.
Planten groeien snel na regen.
meerdere [m] (de ~) {zn.}
meerdere [m] (de ~) {zn.}
Deze elektriciteitscentrale voorziet op haar eentje meerdere steden van elektriciteit.
Deze elektriciteitscentrale voorziet op haar eentje meerdere steden van elektriciteit.
Ga opzij voor uw meerdere
Ga opzij voor uw meerdere
verschillende, diverse, ettelijke, meerdere (mv. meerderen), onderscheidene, verscheidene {bn.}
verschillende
diverse
ettelijke
meerdere (mv. meerderen)
onderscheidene
verscheidene {bn.}