Vertaling van meren
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
vastleggen, vastbinden, tuigeren, onderbinden, meren, aanbinden {ww.}
vastleggen
vastbinden
tuigeren
onderbinden
meren
aanbinden {ww.}
vastbinden
tuigeren
onderbinden
meren
aanbinden {ww.}
ik bind aan
jij bindt aan
hij/zij/het bindt aan
ik leg vast
jij legt vast
hij/zij/het legt vast
» meer vervoegingen van vastleggen
meer (mv. meren) , waterplas , plas {zn.}
meer (mv. meren)
waterplas
plas {zn.}
waterplas
plas {zn.}
Meer kinderen, meer handen.
Meer kinderen, meer handen.
Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.
Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.
meer (mv. meren), meer van {bw.}
meer (mv. meren)
meer van {bw.}
meer van {bw.}
aanvullend, extra, meer (mv. meren), nog een {bn.}
aanvullend
extra
meer (mv. meren)
nog een {bn.}
extra
meer (mv. meren)
nog een {bn.}
langer, meer (mv. meren) {bw.}
langer
meer (mv. meren) {bw.}
meer (mv. meren) {bw.}
meer (mv. meren), meer van {bw.}
meer (mv. meren)
meer van {bw.}
meer van {bw.}
Meer {eigenn.}
Meer {eigenn.}
bijkomend, meer (mv. meren), verder {bn.}
bijkomend
meer (mv. meren)
verder {bn.}
meer (mv. meren)
verder {bn.}
meer (mv. meren) {bw.}
meer (mv. meren) {bw.}
aanleggen, aanmeren, meren, afmeren {ww.}
aanleggen
aanmeren
meren
afmeren {ww.}
aanmeren
meren
afmeren {ww.}
ik leg aan
jij legt aan
hij/zij/het legt aan
ik leg aan
jij legt aan
hij/zij/het legt aan
» meer vervoegingen van aanleggen
meer {zn.}
meer {zn.}
Laat ons meer doen.
Laat ons meer doen.
Eet meer groenten.
Eet meer groenten.