Vertaling van aanbinden
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
vastleggen, vastbinden, tuigeren, onderbinden, meren, aanbinden {ww.}
vastleggen
vastbinden
tuigeren
onderbinden
meren
aanbinden {ww.}
vastbinden
tuigeren
onderbinden
meren
aanbinden {ww.}
ik zal aanbinden
jij zult aanbinden
hij/zij/het zal aanbinden
ik zal vastleggen
jij zult vastleggen
hij/zij/het zal vastleggen
» meer vervoegingen van vastleggen
beginnen, aanvangen, aanbinden {ww.}
beginnen
aanvangen
aanbinden {ww.}
aanvangen
aanbinden {ww.}
ik zal aanbinden
jij zult aanbinden
hij/zij/het zal aanbinden
ik zal beginnen
jij zult beginnen
hij/zij/het zal beginnen
» meer vervoegingen van beginnen
Laat het spel beginnen!
Laat het spel beginnen!
Laten we beginnen.
Laten we beginnen.
binden, aanbinden, aanhechten, vastbinden {ww.}
binden
aanbinden
aanhechten
vastbinden {ww.}
aanbinden
aanhechten
vastbinden {ww.}
ik zal aanbinden
jij zult aanbinden
hij/zij/het zal aanbinden
ik zal binden
jij zult binden
hij/zij/het zal binden
» meer vervoegingen van binden