Vertaling van vastleggen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
vastleggen, vastbinden, tuigeren, onderbinden, meren, aanbinden {ww.}
vastleggen
vastbinden
tuigeren
onderbinden
meren
aanbinden {ww.}

ik zal aanbinden
jij zult aanbinden
hij/zij/het zal aanbinden

ik zal vastleggen
jij zult vastleggen
hij/zij/het zal vastleggen
» meer vervoegingen van vastleggen

vastleggen {ww.}
vastleggen {ww.}

ik zal vastleggen
ik zou vastleggen
jij zult vastleggen

ik zal vastleggen
ik zou vastleggen
jij zult vastleggen
» meer vervoegingen van vastleggen

vastleggen, vastzetten {ww.}
vastleggen
vastzetten {ww.}

ik zal vastleggen
ik zou vastleggen
jij zult vastleggen

ik zal vastleggen
ik zou vastleggen
jij zult vastleggen
» meer vervoegingen van vastleggen

vastleggen {ww.}
vastleggen {ww.}

ik zal vastleggen
ik zou vastleggen
jij zult vastleggen

ik zal vastleggen
ik zou vastleggen
jij zult vastleggen
» meer vervoegingen van vastleggen

boeken, registreren, vastleggen, aantekenen {ww.}
boeken
registreren
vastleggen
aantekenen {ww.}

ik zal aantekenen
jij zult aantekenen
hij/zij/het zal aantekenen

ik zal boeken
jij zult boeken
hij/zij/het zal boeken
» meer vervoegingen van boeken

Deze boeken zijn mijn boeken.
Deze boeken zijn mijn boeken.
Deze boeken zijn makkelijker dan die boeken.
Deze boeken zijn makkelijker dan die boeken.
afperken, vastleggen {ww.}
afperken
vastleggen {ww.}

ik zal afperken
jij zult afperken
hij/zij/het zal afperken

ik zal afperken
jij zult afperken
hij/zij/het zal afperken
» meer vervoegingen van afperken

binden, vastleggen {ww.}
binden
vastleggen {ww.}

ik zal binden
jij zult binden
hij/zij/het zal binden

ik zal binden
jij zult binden
hij/zij/het zal binden
» meer vervoegingen van binden