Vertaling van open

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
open, vacant {bn.}
open
vacant {bn.}
open {bn.}
open {bn.}
open {bn.}
open {bn.}
open {bn.}
open {bn.}
onomwonden, onverbloemd, open, rondborstig {bn.}
onomwonden
onverbloemd
open
rondborstig {bn.}
los, onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld {bn.}
los
onbelemmerd
onbezet
open
vlot
vrij
vrijgesteld {bn.}
onbedekt, ongedekt, open {bn.}
onbedekt
ongedekt
open {bn.}
leeg, onbezet, open, vrij {bn.}
leeg
onbezet
open
vrij {bn.}
niet op slot, open {bn.}
niet op slot
open {bn.}
openen {ww.}
openen {ww.}

ik open
jij opent
hij/zij/het opent

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Kunt u het venster openen?
Kunt u het venster openen?
Ze vroeg mij het venster te openen.
Ze vroeg mij het venster te openen.
openen, openmaken, opendoen {ww.}
openen
openmaken
opendoen {ww.}

ik doe open
jij doet open
hij/zij/het doet open

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Koffers openmaken, alstublieft.
Koffers openmaken, alstublieft.
Mag ik het raam opendoen?
Mag ik het raam opendoen?
openen {ww.}
openen {ww.}

ik open
jij opent
hij/zij/het opent

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Ik vroeg Tom het raam te openen.
Ik vroeg Tom het raam te openen.
Ik kan de deur niet openen. Hebt gij de sleutel?
Ik kan de deur niet openen. Hebt gij de sleutel?
openen, starten, opvatten, opstarten {ww.}
openen
starten
opvatten
opstarten {ww.}

ik open
jij opent
hij/zij/het opent

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Ik weet niet hoe ik zijn woorden moet opvatten.
Ik weet niet hoe ik zijn woorden moet opvatten.
De motor wou niet starten.
De motor wou niet starten.
openen, ontsluiten, opengaan {ww.}
openen
ontsluiten
opengaan {ww.}

ik ontsluit
jij ontsluit
hij/zij/het ontsluit

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Ze vierden het succes door een fles wijn te openen.
Ze vierden het succes door een fles wijn te openen.
openen, openmaken, opendoen, openzetten, ontsluiten, ontgrendelen {ww.}
openen
openmaken
opendoen
openzetten
ontsluiten
ontgrendelen {ww.}

ik ontgrendel
jij ontgrendelt
hij/zij/het ontgrendelt

ik open
jij opent
hij/zij/het opent
» meer vervoegingen van openen

Kan iemand de deur opendoen alsjeblieft?
Kan iemand de deur opendoen alsjeblieft?
Kan iemand de deur openmaken alsjeblieft?
Kan iemand de deur openmaken alsjeblieft?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Het raam is open.

Het raam is open.

De boekenwinkel is open.

De boekenwinkel is open.

Doe je mond open.

Doe je mond open.

Doe je ogen open.

Doe je ogen open.

Sesam, open u!

Sesam, open u!

Open je hart.

Open je hart.

De supermarkt is open.

De supermarkt is open.

Hou de deur open.

Hou de deur open.

Open de fles alsjeblieft.

Open de fles alsjeblieft.

Is de bank open?

Is de bank open?

Ze deed haar ogen open.

Ze deed haar ogen open.

Hij doet het raam open.

Hij doet het raam open.

Doe de deur open alstublieft.

Doe de deur open alstublieft.

Geld maakt alle deuren open.

Geld maakt alle deuren open.

Zij doet het raam open.

Zij doet het raam open.