Vertaling van opschieten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
opschieten {ww.}
opschieten {ww.}

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

Ik kan niet met hem opschieten.
Ik kan niet met hem opschieten.
Ik kan goed met hem opschieten.
Ik kan goed met hem opschieten.
opschieten, vorderen, vooruitgaan, vlotten, veld winnen {ww.}
opschieten
vorderen
vooruitgaan
vlotten
veld winnen {ww.}

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

Laten we opschieten om de bus te halen.
Laten we opschieten om de bus te halen.
Hij kan met niemand opschieten in het kantoor.
Hij kan met niemand opschieten in het kantoor.
opschieten, oprollen {ww.}
opschieten
oprollen {ww.}

ik zal oprollen
ik zou oprollen
jij zult oprollen

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

Je kan maar beter opschieten, of je mist de trein.
Je kan maar beter opschieten, of je mist de trein.
opschieten {ww.}
opschieten {ww.}

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

opschieten, haasten, jagen, vlotten, voortmaken, voortjagen, jachten {ww.}
opschieten
haasten
jagen
vlotten
voortmaken
voortjagen
jachten {ww.}

ik zal haasten
ik zou haasten
jij zult haasten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

Laten we ons haasten.
Laten we ons haasten.
Hij houdt van jagen.
Hij houdt van jagen.
opschieten {ww.}
opschieten {ww.}

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

opschieten {ww.}
opschieten {ww.}

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten

opschieten {ww.}
opschieten {ww.}

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten

ik zal opschieten
ik zou opschieten
jij zult opschieten
» meer vervoegingen van opschieten



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik kan niet met hem opschieten.

Ik kan niet met hem opschieten.

Ik kan goed met hem opschieten.

Ik kan goed met hem opschieten.

Laten we opschieten om de bus te halen.

Laten we opschieten om de bus te halen.

Hij kan met niemand opschieten in het kantoor.

Hij kan met niemand opschieten in het kantoor.

Je kan maar beter opschieten, of je mist de trein.

Je kan maar beter opschieten, of je mist de trein.


Gerelateerd aan opschieten

vorderen - vooruitgaan - vlotten - veld winnen - oprollen - haasten - jagen - voortmaken - voortjagen - jachtenhandelen - wassen - vooruitgaan