Vertaling van opzij

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
opzij, zijwaarts {bw.}
opzij
zijwaarts {bw.}
opzij, terzijde {bn.}
opzij
terzijde {bn.}
sparen, wegleggen, opzijleggen {ww.}
sparen
wegleggen
opzijleggen {ww.}

ik leg opzij
ik legde opzij
jij legt opzij

ik spaar
ik spaarde
jij spaart
» meer vervoegingen van sparen

Zijn levensdoel is geld te sparen.
Zijn levensdoel is geld te sparen.
Ze sparen hun geld voor de aankoop van een huis.
Ze sparen hun geld voor de aankoop van een huis.
negeren, opzijzetten, wegcijferen, ignoreren {ww.}
negeren
opzijzetten
wegcijferen
ignoreren {ww.}

ik ignoreer
jij ignoreert
hij/zij/het ignoreert

ik negeer
jij negeert
hij/zij/het negeert
» meer vervoegingen van negeren

Als de telefoon opnieuw gaat, wil ik hem negeren.
Als de telefoon opnieuw gaat, wil ik hem negeren.
Noch betaamt het (de dokter) het temperament van de zieke man te negeren
Noch betaamt het (de dokter) het temperament van de zieke man te negeren


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ze trok het gordijn opzij.

Ze trok het gordijn opzij.

Ga opzij voor uw meerdere

Ga opzij voor uw meerdere

"Zou je het zo kunnen knippen?" "Een beetje korter van voren en wat langer opzij graag."

"Zou je het zo kunnen knippen?" "Een beetje korter van voren en wat langer opzij graag."


Gerelateerd aan opzij

zijwaarts - terzijde - sparen - wegleggen - opzijleggen - negeren - opzijzetten - wegcijferen - ignorerendeponeren - behouden - bejegenen