Vertaling van wegleggen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
wegleggen {ww.}
wegleggen {ww.}
ik zal wegleggen
jij zult wegleggen
hij/zij/het zal wegleggen
ik zal wegleggen
jij zult wegleggen
hij/zij/het zal wegleggen
» meer vervoegingen van wegleggen
bergen, bewaren, wegzetten, wegleggen, opbergen {zn.}
bergen
bewaren
wegzetten
wegleggen
opbergen {zn.}
bewaren
wegzetten
wegleggen
opbergen {zn.}
Ik was in de bergen.
Ik was in de bergen.
Tom had zich in de bergen verscholen.
Tom had zich in de bergen verscholen.
sparen, wegleggen, opzijleggen {ww.}
sparen
wegleggen
opzijleggen {ww.}
wegleggen
opzijleggen {ww.}
ik zal opzijleggen
ik zou opzijleggen
jij zult opzijleggen
ik zal sparen
ik zou sparen
jij zult sparen
» meer vervoegingen van sparen
Zijn levensdoel is geld te sparen.
Zijn levensdoel is geld te sparen.
Ze sparen hun geld voor de aankoop van een huis.
Ze sparen hun geld voor de aankoop van een huis.
bergen, wegzetten, wegleggen, wegbergen, stouwen, opbergen {ww.}
bergen
wegzetten
wegleggen
wegbergen
stouwen
opbergen {ww.}
wegzetten
wegleggen
wegbergen
stouwen
opbergen {ww.}
ik zal bergen
ik zou bergen
jij zult bergen
ik zal bergen
ik zou bergen
jij zult bergen
» meer vervoegingen van bergen
De bergen waren overal rondom de stad.
De bergen waren overal rondom de stad.
Ik groeide op in de bergen.
Ik groeide op in de bergen.