Vertaling van proef

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
proef, experiment [o], proefneming [v] {zn.}
proef
experiment [o]
proefneming [v] {zn.}
Het experiment moet beginnen.
Het experiment moet beginnen.
Het experiment eindigde in een mislukking.
Het experiment eindigde in een mislukking.
proef, staal, monster [o], specimen, proefstuk, staaltje [o] {zn.}
proef
staal
monster [o]
specimen
proefstuk
staaltje [o] {zn.}
Deze leerlingen hebben beiden de proef gefaald.
Deze leerlingen hebben beiden de proef gefaald.
Is hij geslaagd voor de proef?
Is hij geslaagd voor de proef?
test, proef, poging [v], toets, toetsing [v], beproeving [v] {zn.}
test
proef
poging [v]
toets
toetsing [v]
beproeving [v] {zn.}
Het is een poging waard.
Het is een poging waard.
Zijn poging tot ontsnappen was geslaagd.
Zijn poging tot ontsnappen was geslaagd.
proef, bewijs [o] (het ~), getuige [o] (het ~), getuigenis [v] (de/het ~), proeve, proefje, blijk [o] (het ~) {zn.}
proef
bewijs [o] (het ~)
getuige [o] (het ~)
getuigenis [v] (de/het ~)
proeve
proefje
blijk [o] (het ~) {zn.}
Één getuige is geen getuige", "Een enkele getuigenis is onvoldoende
Één getuige is geen getuige", "Een enkele getuigenis is onvoldoende
Tom was getuige van het ongeluk.
Tom was getuige van het ongeluk.
proef {zn.}
proef {zn.}
Ondanks alle moeite is hij niet geslaagd in de proef.
Ondanks alle moeite is hij niet geslaagd in de proef.
proef [m] (de ~), monster [o] (het ~), staal, sample, proefstuk {zn.}
proef [m] (de ~)
monster [o] (het ~)
staal
sample
proefstuk {zn.}
Er zit een monster onder m'n bed.
Er zit een monster onder m'n bed.
Sinds 1950 verenigen Europese landen zich economisch en politiek in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal om te zorgen voor een blijvende vrede.
Sinds 1950 verenigen Europese landen zich economisch en politiek in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal om te zorgen voor een blijvende vrede.
proef, drukproef [m] (de ~) {zn.}
proef
drukproef [m] (de ~) {zn.}
proef [m] (de ~), probeersel [o] (het ~) {zn.}
proef [m] (de ~)
probeersel [o] (het ~) {zn.}
proef [m] (de ~) {zn.}
proef [m] (de ~) {zn.}
proeven, smaken {ww.}
proeven
smaken {ww.}

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft
» meer vervoegingen van proeven

test [m] (de ~), experiment [o] (het ~), onderzoeking [v] (de ~), proef [m] (de ~), proefneming [v] (de ~), toets [m] (de ~), probeersel [o] (het ~), toetssteen [m] (de ~) {zn.}
test [m] (de ~)
experiment [o] (het ~)
onderzoeking [v] (de ~)
proef [m] (de ~)
proefneming [v] (de ~)
toets [m] (de ~)
probeersel [o] (het ~)
toetssteen [m] (de ~) {zn.}
proeven {ww.}
proeven {ww.}

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft
» meer vervoegingen van proeven

proeven, bespeuren, beluisteren {ww.}
proeven
bespeuren
beluisteren {ww.}

ik beluister
jij beluistert
hij/zij/het beluistert

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft
» meer vervoegingen van proeven

proeven {ww.}
proeven {ww.}

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft

ik proef
jij proeft
hij/zij/het proeft
» meer vervoegingen van proeven



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Deze leerlingen hebben beiden de proef gefaald.

Deze leerlingen hebben beiden de proef gefaald.

Is hij geslaagd voor de proef?

Is hij geslaagd voor de proef?

Ondanks alle moeite is hij niet geslaagd in de proef.

Ondanks alle moeite is hij niet geslaagd in de proef.