Vertaling van schaduw
zweem
schim
lommer
afspiegeling {zn.}
schaduwbeeld
schim
afschaduwing {zn.}
arceren {ww.}
ik arceer
jij arceert
hij/zij/het arceert
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
» meer vervoegingen van schaduwen
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
» meer vervoegingen van schaduwen
schaduwen {ww.}
ik arceer
jij arceert
hij/zij/het arceert
ik arceer
jij arceert
hij/zij/het arceert
» meer vervoegingen van arceren
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
» meer vervoegingen van schaduwen
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
» meer vervoegingen van schaduwen
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
ik schaduw
jij schaduwt
hij/zij/het schaduwt
» meer vervoegingen van schaduwen
Voorbeelden in zinsverband
Het is een schaduw.
Het is een schaduw.
Het was fris in de schaduw van de bomen.
Het was fris in de schaduw van de bomen.
Ze zaten in de schaduw van die grote boom.
Ze zaten in de schaduw van die grote boom.
En als hij moe was, sliep hij in haar schaduw.
En als hij moe was, sliep hij in haar schaduw.
Het meisje was bang voor haar eigen schaduw.
Het meisje was bang voor haar eigen schaduw.
We zijn stof en schaduw
We zijn stof en schaduw
De mens is vluchtig als een schaduw
De mens is vluchtig als een schaduw