Vertaling van schors

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
dop [m], schaal, schors [v], schil [v] {zn.}
dop [m]
schaal
schors [v]
schil [v] {zn.}
Beter een half ei dan een lege dop.
Beter een half ei dan een lege dop.
Doe de dop terug op de fles voor het geval de kat hem omstoot.
Doe de dop terug op de fles voor het geval de kat hem omstoot.
schors [m] (de ~), boomschors [m] (de/het ~) {zn.}
schors [m] (de ~)
boomschors [m] (de/het ~) {zn.}
onderbreken, schorsen, interrumperen {ww.}
onderbreken
schorsen
interrumperen {ww.}

ik interrumpeer
jij interrumpeert
hij/zij/het interrumpeert

ik onderbreek
jij onderbreekt
hij/zij/het onderbreekt
» meer vervoegingen van onderbreken

uitstellen, schorsen, opschorten {ww.}
uitstellen
schorsen
opschorten {ww.}

ik schort op
jij schort op
hij/zij/het schort op

ik stel uit
jij stelt uit
hij/zij/het stelt uit
» meer vervoegingen van uitstellen

Je kan het niet langer uitstellen.
Je kan het niet langer uitstellen.
Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.
Ik zal mijn reis naar Schotland uitstellen tot het warmer is.
schorsen, suspenderen {ww.}
schorsen
suspenderen {ww.}

ik schors
jij schorst
hij/zij/het schorst

ik schors
jij schorst
hij/zij/het schorst
» meer vervoegingen van schorsen

schorsen {ww.}
schorsen {ww.}

ik schors
jij schorst
hij/zij/het schorst

ik schors
jij schorst
hij/zij/het schorst
» meer vervoegingen van schorsen



Gerelateerd aan schors

dop - schaal - schil - boomschors - onderbreken - schorsen - interrumperen - uitstellen - opschorten - suspenderenbast - verbieden - storen