Vertaling van uitbreiden

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
uitbreiden {ww.}
uitbreiden {ww.}

ik zal uitbreiden
ik zou uitbreiden
jij zult uitbreiden

ik zal uitbreiden
ik zou uitbreiden
jij zult uitbreiden
» meer vervoegingen van uitbreiden

uitbreiden, vergroten, uitbouwen {ww.}
uitbreiden
vergroten
uitbouwen {ww.}

ik zal uitbouwen
ik zou uitbouwen
jij zult uitbouwen

ik zal uitbreiden
ik zou uitbreiden
jij zult uitbreiden
» meer vervoegingen van uitbreiden

uitbreiden, expanderen {ww.}
uitbreiden
expanderen {ww.}

ik zal expanderen
jij zult expanderen
hij/zij/het zal expanderen

ik zal uitbreiden
jij zult uitbreiden
hij/zij/het zal uitbreiden
» meer vervoegingen van uitbreiden

ophouden, uitstrekken, uitsteken, uitbreiden, strekken, rekken {ww.}
ophouden
uitstrekken
uitsteken
uitbreiden
strekken
rekken {ww.}

ik zal ophouden
ik zou ophouden
jij zult ophouden

ik zal ophouden
ik zou ophouden
jij zult ophouden
» meer vervoegingen van ophouden

Het regende zonder ophouden.
Het regende zonder ophouden.
Laat ons ophouden.
Laat ons ophouden.
uitleggen, verruimen, verwijden, uitbreiden, oprekken {ww.}
uitleggen
verruimen
verwijden
uitbreiden
oprekken {ww.}

ik zal oprekken
ik zou oprekken
jij zult oprekken

ik zal uitleggen
ik zou uitleggen
jij zult uitleggen
» meer vervoegingen van uitleggen

Tom moet dingen uitleggen.
Tom moet dingen uitleggen.
Ik zal het aan hem uitleggen.
Ik zal het aan hem uitleggen.
uitbreiden, uitbouwen, vermeerderen {ww.}
uitbreiden
uitbouwen
vermeerderen {ww.}

ik zal uitbouwen
ik zou uitbouwen
jij zult uitbouwen

ik zal uitbreiden
ik zou uitbreiden
jij zult uitbreiden
» meer vervoegingen van uitbreiden