Vertaling van van streek

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
van streek
van streek
van streek {bn.}
van streek {bn.}
niet lekker, ongesteld, onwel, van streek, ziekelijk {bn.}
niet lekker
ongesteld
onwel
van streek
ziekelijk {bn.}
opstrijken {ww.}
opstrijken {ww.}

ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op

ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op
» meer vervoegingen van opstrijken

oppersen, opstrijken {ww.}
oppersen
opstrijken {ww.}

ik perste op
jij perste op
hij/zij/het perste op

ik perste op
jij perste op
hij/zij/het perste op
» meer vervoegingen van oppersen

gladstrijken {ww.}
gladstrijken {ww.}

ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad

ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
» meer vervoegingen van gladstrijken

platstrijken, pletten {ww.}
platstrijken
pletten {ww.}

ik streek plat
jij streek plat
hij/zij/het streek plat

ik streek plat
jij streek plat
hij/zij/het streek plat
» meer vervoegingen van platstrijken

strijken {ww.}
strijken {ww.}

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken

aanstrijken, wrijven, uitwrijven {ww.}
aanstrijken
wrijven
uitwrijven {ww.}

ik streek aan
jij streek aan
hij/zij/het streek aan

ik streek aan
jij streek aan
hij/zij/het streek aan
» meer vervoegingen van aanstrijken

gladstrijken {ww.}
gladstrijken {ww.}

ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad

ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
» meer vervoegingen van gladstrijken

uitstrijken, gladstrijken, effenen, gladmaken, banen {ww.}
uitstrijken
gladstrijken
effenen
gladmaken
banen {ww.}

ik baande
jij baande
hij/zij/het baande

ik streek uit
jij streek uit
hij/zij/het streek uit
» meer vervoegingen van uitstrijken

strijken, laten zakken, neerhalen {ww.}
strijken
laten zakken
neerhalen {ww.}

ik haalde neer
jij haalde neer
hij/zij/het haalde neer

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken

Kan je de prijs een beetje laten zakken?
Kan je de prijs een beetje laten zakken?
Als je Zwitserland zou strijken, zou het groter zijn dan Duitsland.
Als je Zwitserland zou strijken, zou het groter zijn dan Duitsland.
strijken, laten zakken, vellen, neerlaten {ww.}
strijken
laten zakken
vellen
neerlaten {ww.}

ik liet neer
jij liet neer
hij/zij/het liet neer

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken

Op het labeltje aan mijn sjaal staat: "Binnenstebuiten wassen en strijken." Ik vraag me af hoe ik dat moet doen.
Op het labeltje aan mijn sjaal staat: "Binnenstebuiten wassen en strijken." Ik vraag me af hoe ik dat moet doen.
strijken, persen {ww.}
strijken
persen {ww.}

ik perste
jij perste
hij/zij/het perste

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken

strijken, gladstrijken {ww.}
strijken
gladstrijken {ww.}

ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad

ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken

kalken, aanstrijken {ww.}
kalken
aanstrijken {ww.}

ik streek aan
jij streek aan
hij/zij/het streek aan

ik kalkte
jij kalkte
hij/zij/het kalkte
» meer vervoegingen van kalken

opstrijken, in zijn zak steken {ww.}
opstrijken
in zijn zak steken {ww.}

ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op

ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op
» meer vervoegingen van opstrijken

dalen, landen, neerstrijken {ww.}
dalen
landen
neerstrijken {ww.}

ik daalde
jij daalde
hij/zij/het daalde

ik daalde
jij daalde
hij/zij/het daalde
» meer vervoegingen van dalen