Vertaling van van streek
ongesteld
onwel
van streek
ziekelijk {bn.}
ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op
ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op
» meer vervoegingen van opstrijken
opstrijken {ww.}
ik perste op
jij perste op
hij/zij/het perste op
ik perste op
jij perste op
hij/zij/het perste op
» meer vervoegingen van oppersen
ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
» meer vervoegingen van gladstrijken
pletten {ww.}
ik streek plat
jij streek plat
hij/zij/het streek plat
ik streek plat
jij streek plat
hij/zij/het streek plat
» meer vervoegingen van platstrijken
ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken
wrijven
uitwrijven {ww.}
ik streek aan
jij streek aan
hij/zij/het streek aan
ik streek aan
jij streek aan
hij/zij/het streek aan
» meer vervoegingen van aanstrijken
ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
» meer vervoegingen van gladstrijken
gladstrijken
effenen
gladmaken
banen {ww.}
ik baande
jij baande
hij/zij/het baande
ik streek uit
jij streek uit
hij/zij/het streek uit
» meer vervoegingen van uitstrijken
laten zakken
neerhalen {ww.}
ik haalde neer
jij haalde neer
hij/zij/het haalde neer
ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken
laten zakken
vellen
neerlaten {ww.}
ik liet neer
jij liet neer
hij/zij/het liet neer
ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken
persen {ww.}
ik perste
jij perste
hij/zij/het perste
ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken
gladstrijken {ww.}
ik streek glad
jij streek glad
hij/zij/het streek glad
ik streek
jij streek
hij/zij/het streek
» meer vervoegingen van strijken
aanstrijken {ww.}
ik streek aan
jij streek aan
hij/zij/het streek aan
ik kalkte
jij kalkte
hij/zij/het kalkte
» meer vervoegingen van kalken
in zijn zak steken {ww.}
ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op
ik streek op
jij streek op
hij/zij/het streek op
» meer vervoegingen van opstrijken
landen
neerstrijken {ww.}
ik daalde
jij daalde
hij/zij/het daalde
ik daalde
jij daalde
hij/zij/het daalde
» meer vervoegingen van dalen