Vertaling van zwiepen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
zwiepen {ww.}
zwiepen {ww.}

hij/zij/het zwiept
zij zwiepen

hij/zij/het zwiept
zij zwiepen
» meer vervoegingen van zwiepen

zwaaien, zwirrelen, zwindelen, zwieren, zwiepen, slingeren {ww.}
zwaaien
zwirrelen
zwindelen
zwieren
zwiepen
slingeren {ww.}

ik slinger
jij slingert
hij/zij/het slingert

ik zwaai
jij zwaait
hij/zij/het zwaait
» meer vervoegingen van zwaaien

Ik ben naar het vliegveld geweest om een vriend uit te zwaaien.
Ik ben naar het vliegveld geweest om een vriend uit te zwaaien.
Ik ben alleen even naar het vliegveld geweest om een vriend die naar Europa ging uit te zwaaien.
Ik ben alleen even naar het vliegveld geweest om een vriend die naar Europa ging uit te zwaaien.
gooien, kwakken, knikkeren, kegelen, lazeren, zwiepen, mikken, donderen, kogelen, kukelen, kieperen, keilen, jenzen, werpen, plompen, flikkeren, bliksemen {ww.}
gooien
kwakken
knikkeren
kegelen
lazeren
zwiepen
mikken
donderen
kogelen
kukelen
kieperen
keilen
jenzen
werpen
plompen
flikkeren
bliksemen {ww.}

ik bliksem
jij bliksemt
hij/zij/het bliksemt

ik gooi
jij gooit
hij/zij/het gooit
» meer vervoegingen van gooien

De jongen vond het leuk om eieren naar mensen te gooien vanuit het raam van zijn flat.
De jongen vond het leuk om eieren naar mensen te gooien vanuit het raam van zijn flat.


Gerelateerd aan zwiepen

zwaaien - zwirrelen - zwindelen - zwieren - slingeren - gooien - kwakken - knikkeren - kegelen - lazeren - mikken - donderen - kogelen - kukelen - kieperenkleunen - verplaatsen