Vertaling van rings
he/she/it rings
hij/zij/het telefoneert
» meer vervoegingen van telefoneren
he/she/it rings
hij/zij/het luidt
» meer vervoegingen van luiden
he/she/it rings
hij/zij/het belt
» meer vervoegingen van bellen
schreeuwen
he/she/it rings
hij/zij/het roept
» meer vervoegingen van roepen
he/she/it rings
hij/zij/het ringt
» meer vervoegingen van ringen
luiden
he/she/it rings
hij/zij/het luit
» meer vervoegingen van luien
bommen
luiden
he/she/it rings
hij/zij/het beiert
» meer vervoegingen van beieren
omgeven
omleggen
he/she/it rings
hij/zij/het omringt
» meer vervoegingen van omringen
omsluiten
he/she/it rings
hij/zij/het sluit in
» meer vervoegingen van insluiten
he/she/it rings
hij/zij/het galmt
» meer vervoegingen van galmen
he/she/it rings
hij/zij/het galmt
» meer vervoegingen van galmen
aanschellen
schellen
bellen
he/she/it rings
hij/zij/het belt aan
» meer vervoegingen van aanbellen
he/she/it rings
hij/zij/het doorklinkt
» meer vervoegingen van doorklinken
he/she/it rings
hij/zij/het werkt terug
» meer vervoegingen van terugwerken
he/she/it rings
hij/zij/het omringt
» meer vervoegingen van omringen
ringen
he/she/it rings
hij/zij/het ringelt
» meer vervoegingen van ringelen
omgeven
he/she/it rings
hij/zij/het trekt om
» meer vervoegingen van omtrekken
schallen
he/she/it rings
hij/zij/het schettert
» meer vervoegingen van schetteren
telefoneren
draaien
bellen
he/she/it rings
hij/zij/het belt op
» meer vervoegingen van opbellen
he/she/it rings
hij/zij/het gaat
» meer vervoegingen van gaan
he/she/it rings
hij/zij/het roept aan
» meer vervoegingen van aanroepen
he/she/it rings
hij/zij/het weerschalt
» meer vervoegingen van weerschallen
resoneren
weerklinken
naklinken
naijlen
nagalmen
weergalmen
he/she/it rings
hij/zij/het echoot
» meer vervoegingen van echoën
spiegelen
weerspiegelen
he/she/it rings
hij/zij/het reflecteert
» meer vervoegingen van reflecteren
he/she/it rings
hij/zij/het weerklinkt
» meer vervoegingen van weerklinken
he/she/it rings
hij/zij/het ringt
» meer vervoegingen van ringen
he/she/it rings
hij/zij/het roept op
» meer vervoegingen van oproepen
Voorbeelden in zinsverband
She wears rings on her ears.
Ze draagt ringen aan haar oren.
If the phone rings again, I plan to ignore it.
Als de telefoon opnieuw gaat, wil ik hem negeren.