Vertaling van go

Inhoud:

Engels
Nederlands
to go, to ride, to travel, to drive {ww.}
gaan 
karren
rijden
varen 

I go
you go
we go

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

to go, to wend {ww.}
gaan 
lopen 
van stapel lopen
verlopen
zich begeven

I go
you go
we go

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

to go, to be going to {ww.}
gaan 
zullen

I go
you go
we go

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

to go, to locomote, to move, to travel {ww.}
bewegen

I go
you go
we go

ik beweeg
jij beweegt
wij bewegen
» meer vervoegingen van bewegen

to go, to move, to run {ww.}
schieten
flitsen
afschieten

I go
you go
we go

ik schiet
jij schiet
wij schieten
» meer vervoegingen van schieten

to go, to locomote, to move, to travel {ww.}
koersen
tijgen
gaan

I go
you go
we go

ik koers
jij koerst
wij koersen
» meer vervoegingen van koersen

to go, to sound {ww.}
klinken
uitklinken

I go
you go
we go

ik klink
jij klinkt
wij klinken
» meer vervoegingen van klinken

Everyone can help ensure that sentences sound correct, and are correctly spelled.
Iedereen kan helpen verzekeren dat de zinnen goed klinken en juist gespeld zijn.
It is because light travels faster than sound that some people look brilliant before sounding stupid.
Dat sommige mensen er geniaal uitzien voordat ze dom klinken, komt doordat licht zich sneller voortplant dan geluid.
to go, to lead {ww.}
uitkomen
uitgeven

I go
you go
we go

ik kom uit
jij komt uit
wij komen uit
» meer vervoegingen van uitkomen

to go, to locomote, to move, to travel {ww.}
gaan

I go
you go
we go

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

Let's move on.
Laten we verder gaan.
I should go.
Ik moet gaan.
to go, to lead {ww.}
leiden
lopen
voeren

I go
you go
we go

ik leid
jij leidt
wij leiden
» meer vervoegingen van leiden

All roads lead to Rome.
Alle wegen leiden naar Rome.
Many ways lead to Rome.
Er zijn vele wegen die naar Rome leiden.
go, spell, tour, turn {zn.}
tour
toer [m] (de ~)
go, go game {zn.}
go
to break, to break down, to conk out, to die, to fail, to give out, to give way, to go, to go bad {ww.}
afslaan
afspringen

I go
you go
we go

ik sla af
jij slaat af
wij slaan af
» meer vervoegingen van afslaan

to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
expireren
insluimeren
ontslapen
overlijden
peigeren
verrekken
verscheiden
sterven
heengaan
kapotgaan
versmachten
inslapen
creperen

I go
you go
we go

ik expireer
jij expireert
wij expireren
» meer vervoegingen van expireren

to function, to go, to operate, to run, to work {ww.}
lopen

I go
you go
we go

ik loop
jij loopt
wij lopen
» meer vervoegingen van lopen

to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
leven

I go
you go
we go

ik leef
jij leeft
wij leven
» meer vervoegingen van leven

Live and let live.
Leven en laten leven.
We live in peace.
We leven in vrede.
to extend, to go, to lead, to pass, to run {ww.}
opboren

I go
you go
we go

ik boor op
jij boort op
wij boren op
» meer vervoegingen van opboren

to fit, to go {ww.}
passen
sluiten

I go
you go
we go

ik pas
jij past
wij passen
» meer vervoegingen van passen

to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}

I go

to function, to go, to operate, to run, to work {ww.}
werken
functioneren

I go
you go
we go

ik werk
jij werkt
wij werken
» meer vervoegingen van werken

Go ahead with your work.
Ga door met werken!
Let's work.
Laat ons werken.
to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
vergaan

I go
you go
we go

ik verga
jij vergaat
wij vergaan
» meer vervoegingen van vergaan

to fit, to go {ww.}
zitten

I go
you go
we go

ik zit
jij zit
wij zitten
» meer vervoegingen van zitten

to break, to break down, to conk out, to die, to fail, to give out, to give way, to go, to go bad {ww.}
weigeren

I go
you go
we go

ik weiger
jij weigert
wij weigeren
» meer vervoegingen van weigeren

to break, to break down, to conk out, to die, to fail, to give out, to give way, to go, to go bad {ww.}
uitfloepen

I go
you go
we go

ik floep uit
jij floept uit
wij floepen uit
» meer vervoegingen van uitfloepen

to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
doodvallen

I go
you go
we go

ik val dood
jij valt dood
wij vallen dood
» meer vervoegingen van doodvallen

to become, to get, to go {ww.}
vallen
komen
geraken
raken
treden

I go
you go
we go

ik val
jij valt
wij vallen
» meer vervoegingen van vallen

to belong, to go {ww.}
thuishoren

I go
you go
we go

ik hoor thuis
jij hoort thuis
wij horen thuis
» meer vervoegingen van thuishoren

to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
voortleven

I go
you go
we go

ik leef voort
jij leeft voort
wij leven voort
» meer vervoegingen van voortleven

to become, to get, to go {ww.}
worden

I go
you go
we go

ik word
jij wordt
wij worden
» meer vervoegingen van worden

to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
doodgaan

I go
you go
we go

ik ga dood
jij gaat dood
wij gaan dood
» meer vervoegingen van doodgaan

to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
doodblijven

I go
you go
we go

ik blijf dood
jij blijft dood
wij blijven dood
» meer vervoegingen van doodblijven

to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
overgaan

I go
you go
we go

ik ga over
jij gaat over
wij gaan over
» meer vervoegingen van overgaan

to become, to get, to go {ww.}
gaan

I go
you go
we go

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

to function, to go, to operate, to run, to work {ww.}
lopen
draaien

I go
you go
we go

ik loop
jij loopt
wij lopen
» meer vervoegingen van lopen

to buy the farm, to cash in one's chips, to choke, to conk, to croak, to decease, to die, to drop dead, to exit, to expire, to give-up the ghost, to go, to kick the bucket, to pass, to pass away, to perish, to pop off, to snuff it {ww.}
creperen

I go
you go
we go

ik crepeer
jij crepeert
wij creperen
» meer vervoegingen van creperen

to belong, to go {ww.}
behoren
horen

I go
you go
we go

ik behoor
jij behoort
wij behoren
» meer vervoegingen van behoren

crack, fling, go, offer, pass, whirl {zn.}
bod
crack, fling, go, offer, pass, whirl {zn.}
initiatiefvoorstel
wetsvoorstel

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Let's go back.

Laten we teruggaan.

Let's go out.

Laten we uitgaan.

Go to school.

Ga naar school.

May I go home?

Mag ik naar huis gaan?

Let's go down.

Laat ons naar beneden gaan.

Rain, rain go away!

Regen, regen, ga weg!

Won't you go?

Ga je dan niet?

I should go.

Ik moet gaan.

Easy come, easy go.

Zo gewonnen, zo geronnen.

Let's not go.

Laten we niet gaan.

Go for help.

Ga voor hulp.

Go get help.

Ga hulp vragen.

Go back home.

Ga terug naar huis.

She let her go.

Ze liet haar gaan.

Go fuck yourself!

Neuk jezelf!


Gerelateerd aan go

ride - travel - drive - wend - be going to - locomote - move - run - sound - lead - spell - tour - turn - go game - breakmove - go - belt along - cause - displace - be - occasion - board game - cease - buy the farm - function - bring up - fill - exist - work - elapse - fit - allow - go out - fall - ensue - belong - bear on - change - disappear - offer - bill