Vertaling van ride

Inhoud:

Engels
Nederlands
to ride {ww.}
berijden 

I ride
you ride
we ride

ik berijd
jij berijdt
wij berijden
» meer vervoegingen van berijden

to ride {ww.}
rijden

I ride
you ride
we ride

ik rijd
jij rijdt
wij rijden
» meer vervoegingen van rijden

I want to ride a bicycle, because I live far from my school.
Ik wil met de fiets rijden omdat ik ver van mijn school woon.
ride {zn.}
rit
to ride {ww.}
karren
rijden
omrijden

I ride
you ride
we ride

ik kar
jij kart
wij karren
» meer vervoegingen van karren

to ride {ww.}
uitrijden

I ride
you ride
we ride

ik rijd uit
jij rijdt uit
wij rijden uit
» meer vervoegingen van uitrijden

to ride, to sit {ww.}
berijden

I ride
you ride
we ride

ik berijd
jij berijdt
wij berijden
» meer vervoegingen van berijden

to go, to ride, to travel, to drive {ww.}
gaan 
karren
rijden
varen 

I ride
you ride
we ride

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

to ride, to sit {ww.}
rijden

I ride
you ride
we ride

ik rijd
jij rijdt
wij rijden
» meer vervoegingen van rijden

ride {zn.}
paardjesmolen
ride {zn.}
bosweg
to bait, to cod, to rag, to rally, to razz, to ride, to tantalise, to tantalize, to taunt, to tease, to twit {ww.}
paardjerijden

I ride
you ride
we ride

ik rijd paardje
jij rijdt paardje
wij rijden paardje
» meer vervoegingen van paardjerijden

to bait, to cod, to rag, to rally, to razz, to ride, to tantalise, to tantalize, to taunt, to tease, to twit {ww.}
treiteren
tergen
mienen
sarren
narren
zuigen

I ride
you ride
we ride

ik treiter
jij treitert
wij treiteren
» meer vervoegingen van treiteren

to bait, to cod, to rag, to rally, to razz, to ride, to tantalise, to tantalize, to taunt, to tease, to twit {ww.}
plagen

I ride
you ride
we ride

ik plaag
jij plaagt
wij plagen
» meer vervoegingen van plagen

to bait, to cod, to rag, to rally, to razz, to ride, to tantalise, to tantalize, to taunt, to tease, to twit {ww.}
schimpen

I ride
you ride
we ride

ik schimp
jij schimpt
wij schimpen
» meer vervoegingen van schimpen

drive, ride {zn.}
rondrit [m] (de ~)
rit [m] (de ~)
toer [m] (de ~)
sightseeing [o] (het ~)

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I'll give you a ride.

Ik neem je mee.

I must ride a bicycle.

Ik moet fietsen.

I gave Tom a ride.

Ik gaf Tom een lift.

Fifty people can ride on the bus.

Er kunnen vijftig mensen in de bus.

I gave Tom a ride home.

Ik gaf Tom een lift naar huis.

He gave me a ride to the Narita airport.

Hij bracht me naar het vliegveld Narita.

That girl isn't able to ride a bicycle.

Dat meisje kan niet fietsen.

Do you fancy going for a bike ride?

Hebben jullie zin in een fietstocht?

I want to ride a bicycle, because I live far from my school.

Ik wil met de fiets rijden omdat ik ver van mijn school woon.

I learned how to ride a bike when I was six years old.

Ik heb leren fietsen toen ik zes was.

Only people who enjoy life ride a bicycle and always are there faster.

Alleen genieters fietsen en komen altijd eerder aan.

Sometimes I walk to work, and sometimes I ride my bike, because I live very close to work.

Soms ga ik lopend naar het werk en soms op de fiets, want ik woon heel dichtbij mijn werk.


Gerelateerd aan ride

sit - go - travel - drive - bait - cod - rag - rally - razz - tantalise - tantalize - taunt - tease - twitmove - displace - complete - ride - apply - carousel - road - play - badger - do by - rampage - journey