Vertaling van ride

Inhoud:

Engels
Nederlands
to ride {ww.}
berijden 

I ride
you ride
we ride

ik berijd
jij berijdt
wij berijden
» meer vervoegingen van berijden

to ride {ww.}
rijden

I ride
you ride
we ride

ik rijd
jij rijdt
wij rijden
» meer vervoegingen van rijden

I want to ride a bicycle, because I live far from my school.
Ik wil met de fiets rijden omdat ik ver van mijn school woon.
ride {zn.}
rit
to go, to ride, to travel, to drive {ww.}
gaan 
rijden
karren
varen 

I ride
you ride
we ride

ik ga
jij gaat
wij gaan
» meer vervoegingen van gaan

I don't want to drive.
Ik wil niet rijden.
Let's drive to the lake.
Laten we naar het meer rijden.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I'll give you a ride.

Ik neem je mee.

I must ride a bicycle.

Ik moet fietsen.

I gave Tom a ride.

Ik gaf Tom een lift.

Fifty people can ride on the bus.

Er kunnen vijftig mensen in de bus.

I gave Tom a ride home.

Ik gaf Tom een lift naar huis.

He gave me a ride to the Narita airport.

Hij bracht me naar het vliegveld Narita.

That girl isn't able to ride a bicycle.

Dat meisje kan niet fietsen.

Do you fancy going for a bike ride?

Hebben jullie zin in een fietstocht?

I want to ride a bicycle, because I live far from my school.

Ik wil met de fiets rijden omdat ik ver van mijn school woon.

I learned how to ride a bike when I was six years old.

Ik heb leren fietsen toen ik zes was.

Only people who enjoy life ride a bicycle and always are there faster.

Alleen genieters fietsen en komen altijd eerder aan.

Sometimes I walk to work, and sometimes I ride my bike, because I live very close to work.

Soms ga ik lopend naar het werk en soms op de fiets, want ik woon heel dichtbij mijn werk.


Gerelateerd aan ride

go - travel - drive